Preek zondagavond 29 mei 2016

Preek zondagavond 29 mei 2016
Psalm 51

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Ik kan het niet meer goedmaken!’
Dat is wat er door David heengaat, als de profeet Nathan gekomen is.
‘Ik kan niet meer herstellen
wat ik kapotgemaakt heb.’
David weet het: Ik kan de schuld niet op een ander schuiven.
Ik ben hier verantwoordelijk voor.
Dat had hij niet direct door.
Dat besef kwam pas, nadat Nathan bij hem gekomen was
om hem aan te spreken wat hij, David, met Batseba, had gedaan.
Tot die tijd had hij zijn geweten kunnen sussen:
Ach, het is niet zo erg wat ik doe. Het moet kunnen.
Het is wel een daad met gevolgen,
maar dan voor anderen:
voor Uria, die het met de dood moest bekopen,
voor Batseba, die haar man verloren heeft en nu opgenomen wordt
in het paleis als een van de vrouwen van David.
David is er alleen maar op vooruitgegaan met Batseba als vrouw.

Totdat Nathan komt.
Er is een verband tussen wat David heeft gedaan en de komst van Nathan.
Nathan komt tot David, zoals David tot Batseba gekomen is.
Nathan die komt om te laten zien wat hij, David, gedaan heeft
en welke gevolgen zijn daad heeft.
Nathan – zijn naam betekent geschenk
Is Nathan voor David een geschenk.
Ik weet niet of David dat zo voelde toen Nathan hem de ogen opende
voor wat hij gedaan heeft, voor de gevolgen van zijn daden.
Dat wat hij gedaan heeft ook te maken heeft
met hemzelf en met zijn band met God.
Nathan brengt David voor Gods aangezicht.
Heeft David dat als geschenk beschouwd?

Misschien niet direct, maar later wel.
Het is een vriend die laat zien waar ik fout zit.
Nathan, die door God gestuurd wordt, om David de ogen te openen
voor wat Hij gedaan heeft, inzicht te geven.

David krijgt ook het inzicht in wat hij heeft gedaan.
Maar dan.
Als je werkelijk door hebt wat je hebt gedaan…
In de Psalmen kijken we de gelovige in het hart.
Hier kijken we bij David in een hart, dat beseft
Ik heb een ernstige fout gemaakt
en die fout kan ik niet meer herstellen.
Niet zomaar een fout, maar een ernstig vergrijp
naar Batseba en ook naar God toe.
Wat moet je doen, als je weet dat je niet verder kunt
omdat je het hebt verknald?
Als God op je weg gekomen is
en tegen je zegt: Het zit goed mis in jouw leven.
Met wat je gedaan hebt, kun je niet verder.
Aan de psalm te zien is het niet alleen iets dat David overkomen is,
maar wordt dat herkend door vele gelovigen.
Want deze psalm is opgenomen in het boek van de gebeden en de liederen van Israël,
een privégebed dat een gebed wordt voor veel anderen,
een gebed dat de woorden geeft,
om toch voor God te kunnen komen
terwijl dat eigenlijk niet kan.

Wat David doet, is zijn koninklijke mantel afdoen, zijn kroon van zijn hoofd,
hij stapt de troon af en trekt oude, gescheurde kleren aan
en op blote voeten, als een zwerver,
die van zichzelf geen enkele waardigheid meer heeft,
geen status waarop hij zich kan beroepen –
zo komt hij voor God.
Wees mij genadig, o God.
Hier komt iemand, die niet voor God mag verschijnen,
geen enkel recht meer heeft, hij heeft het zelf vergooid
en door God is aangeklaagd om wat hij heeft gedaan
en toch de stap naar God waagt.
Waagt – gewaagd is het, wat David hier doet.
Heel zijn lot hangt af van God,
die al heeft laten weten dat Hij de afkeurt wat David heeft gedaan.
Mooie woorden helpen niet.
Alles hangt af van hoe God zal beslissen.
Mijn toekomst ligt in uw handen, ik heb niets meer,

ondanks mijn koninklijke titel, mijn macht,
dat is niets meer, als U, Heere, niet Uw genade aan mij betoont.
Genade is hier: mijn lot ligt helemaal in Uw handen
en wat U besluit, het is goed.

Maar David waagt hier iets geweldigs.
Hij zegt niet: Wat U doet is goed.
Hij legt zich niet neer bij elke beslissing,
David klampt zich aan God vast voor die ene beslissing
die hij juist niet van God mag verwachten.
Door zijn zonde heeft hij al de orde van God overhoop gegooid
en nu komt hij weer opnieuw om de orde van God overhoop te gooien,
de orde die bepaalt dat een zondaar zijn straf niet kan ontlopen,
omdat een daad zoveel ingrijpende gevolgen heeft voor God en medemens.
Het is een aan brutaliteit grenzende noodsprong,
die David alleen maar durft te doen, omdat hij God kent.
Gods karakter, Gods wezen, God zoals Hij ten diepste is.
Een beroep op Gods hart: Heere, laat mijn ellende, zoals ik nu ben,
U diep in het hart raken.
Zie mij zoals ik nu ben.
Als ik zo blijf dan ik niet verder met mijn leven.
Als mijn ellende, als mijn zonde U raakt tot diep in Uw hart,
doe er dan iets aan.
Wat U alleen kunt.

David vraagt niet alleen om de zonden te vergeven.
Dat zou al te goedkoop zijn.
Hij vraagt om meer:
David vraagt of God de daden teniet wil doen,
zoals een beeldhakker, die de verkeerde woorden heeft uitgehakt
alles weg hakt, zodat er niets meer te vinden is.
Wis mijn daden uit.
Ik heb het geprobeerd om ze uit te wissen.
Ik kon ze naar mijn medemens wellicht verdoezelen, maar naar U toe niet.
Voor U is niets verborgen
en U bent de enige die er nu nog wat aan kan doen.

Maar David vraagt om meer.
Want het uitscheuren van de zwarte bladzijde is nog niet genoeg.
Dan zou mijn kwade daad alleen maar een incident zijn,
iets dat eenmalig gebeurd is.
Nee, wat ik verkeerd gedaan heb,
dat heeft zich in mijn karakter genesteld
en dat is nu naar buiten gekomen, maar dat heeft er altijd gezeten
en dat kan er zo weer naar buiten komen.
Het kwade in mij, dat moet moet niet oppervlakkig van mij verwijderd worden,
maar door een diepingrijpende reiniging,
die mij tot in mijn kern, in mijn hart, in mijn karakter, in mijn wezen, reinigt en nieuw maakt.
Een uiterlijke handeling, die mij van buiten reinigt,
dat is niet voldoende.

Er moet iets met mij gebeuren,
dat meer is dan alleen maar het rechtzetten en het ongedaan maken van mijn fouten.
God moet wat met mij doen, in mij,
in mijn hart en in mijn gedachten,
zodat ik een nieuw mens doe, gereinigd en bevrijd van het kwade
dat zich in mij huist en met mij is vergroeid.
In plaats van oordeel, van straf, die verdiend is,
een nieuw mens te worden, die God met het hart zoekt, oprecht
en God kent, niet alleen wanneer ik er mee geconfronteerd wordt,
maar altijd en elke dag.
Het gebed om de Heilige Geest, die van binnen in mij werkt
en mij helpt in de strijd tegen de zonde
en mij beschermt, zodat de zonde geen ingang meer in mij heeft.
David vraagt hier om opnieuw geschapen te worden,
om opnieuw geboren te mogen worden,
een nieuw mens, bevrijd en gereinigd.
God confronteert ons met onze zonde
uit een daad van barmhartigheid,
niet om ons te vernietigen, maar om ons te vernieuwen,
helemaal nieuw.
Deze confrontatie is er ook bij de doop:
de doop laat ons zien, dat we van binnen niet rein zijn
en dat wij onszelf niet schoon kunnen wassen;
alleen God.

Naast al het besef van schuld, groeit het geloof en  de hoop
dat God het ook zal doen en zal luisteren naar dit gebed.
Want David bidt of alle zonden weggewassen mag worden
en of hij witter dan sneeuw mag worden.
De innerlijke reiniging straalt naar buiten toe uit.
Niet meer de boetekleren die David draagt om God op andere gedachten te brengen,
maar kleren zoals de priesters dragen,
hagelwit zoals de engelen zijn.
Wanneer u dat doet, ben ik voor U bruikbaar,
een getuigenis, zal ik over U vertellen.

Doe mij niet weg van voor Uw aangezicht.
Het gebed blijft steeds terugkeren.
Omdat David ook voelt, dat Hij zo niet verder kan.
Niet zonder God.
Om God niet kwijt te raken, klampt hij zich vast aan God.
Als God niet met hem verder wil,
dan doet hij er alles aan om vanaf nu niet verder meer te gaan zonder God.

Wat zal God doen?
De laatste tijd houd ik mij bezig met een theorie over preken die aangeeft:
Je moet vooral oog hebben voor wat God doet.
Voor wat er gesproken wordt over God in de tekst,
of hoe God spreekt in de tekst of door de tekst.
Maar krijgen we daar iets van te zien?
Deze psalm is een lang pleidooi voor Gods aangezicht.
Hartstochtelijk, een beroep op God, een schreeuw: red mij,
want ik zink weg, door mijn eigen fout
en doordat ik voel dat U mij ook kunt loslaten
en ik zonder U verder moet, weg van voor Uw aangezicht,
niet meer dat intieme contact.
Wat zou God doen?
Moeten we het hebben van de opname in het psalmboek,
dit gebed van de enkeling,
waarin velen zich herkend hebben en daarom als een antwoord van God ervaren is?

Hoe weten we nu dat God genadig is
en de smeekbede van David gehoor geeft
en de zonde van David inderdaad wegwast.
En hoe weten we dat God op ons gebed om vergeving onze zonden wegkrast
en ongedaan maakt, zodat ze niet meer zichtbaar zijn,
dat ze niet meer een last zijn die ons hart bezwaard
en dat de gevolgen weggenomen zijn?
Hoe weet David dat God barmhartig is?
Hoe kunnen wij weten dat God barmhartig is?

Omdat God zichzelf zo bekend maakt.
Als het volk voor de Sinaï staat, op weg vanuit Egypte naar Kanaän,
en Mozes op de berg is, maakt het volk een eigen god:
een gouden kalf, dat ze tot hun eigen god maken:
Dit is de god die ons heeft bevrijd.
Daarna weigert de Heere met het volk verder te gaan.
Dat kan Hij ook niet.
Zijn heiligheid zou het volk onderweg verteren.
Dan komt de smeekbede van Mozes, die de Heere God
op andere gedachten brengt en de Heere luistert.
Hij gaat opnieuw mee.
De Heere verschijnt dan opnieuw aan Mozes
en maakt dan bekend wie Hij is:
HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig,
geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw

Die goedertierenheid blijft bewijzen aan duizenden,
Die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft
David klampt zich aan deze barmhartigheid vast
en doet een beroep op deze genade van God.
Zo is God.

Maar er volgt nog iets als God zichzelf openbaart aan Mozes:
de schuldige gaat niet vrijuit; hij ontloopt zijn straf niet.
Ik zoek hem op; ik bezoek hem.
Dat is ook wat David heeft ervaren.
Niet alleen toen Nathan kwam,
maar ook door wat erna gebeurde:
een geestelijke crisis die meer is dan iets dat van binnen werd gevoeld.
Zelfs tot in het lichaam:
Mijn beenderen heeft u verbrijzeld.
Een korte zin, waarin David aangeeft,
dat wat hem overkomt, wat hem treft
niet zomaar is, maar dat het van God komt.
Maar dat betekent dat in het oordeel dat hem treft
zijn leven ook nog in Gods hand is
en God hem niet heeft losgelaten,
maar heeft opgezocht
en de straf die hij draagt en die van God komt
niet een teken is dat God hem heeft weggedaan
– God kan dat wel doen –
maar dat God hem toch nog vasthoudt,
zelfs op het allerdiepste moment van zijn bestaan,
toen hij God losgelaten heeft, liet God hem niet los.
Als God hem niet heeft losgelaten, zelfs niet in het oordeel,
is dat Gods genade en de hoop op een nieuwe toekomst,
door God zelf gegeven,
waarin de zonden zijn weggewassen, uitgebannen, vergeven
en hij, David een nieuw mens mag worden.

In deze psalm komt de naam van Christus niet voor.
In die zin brengt Christus niets nieuws,
want ook het Oude Testament laat zien dat God genadig kan zijn.
Wat het bijzondere aan Christus is,
is dat Hij in Zijn komst, door te komen, Gods genade komt laten zien.
Hij belichaamt Gods genade, is Gods genade.
Christus is God zelf – in de Zoon – die de plaats van David overneemt,
de schuld op zich neemt

Hij werd gebonden, opdat Hij ons zou ontbinden.
Daarna heeft Hij onnoemelijk veel smaad gedragen,
opdat wij bij God nooit meer te schande zouden worden.
Hij is onschuldig ter dood veroordeeld,
opdat wij in Gods gericht zouden worden vrijgesproken.
Hij heeft zelfs Zijn gezegend lichaam aan het kruis laten nagelen,
opdat Hij het handschrift van onze zonden daaraan zou hechten.
Zo heeft Hij onze vloek op Zich geladen, opdat Hij ons met Zijn zegen zou vervullen.

Daarom is het mogelijk
– door God, door het werk van Christus –
om God aan te klampen voor Zijn genade.
Wees mij genadig, God.
Amen


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s