Preek zondagmiddag 14 februari 2016

Preek zondagmiddag 14 februari 2016
Dankzegging en nabetrachting
Schriftlezing: Lukas 15:11-32

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Jij bent altijd bij mij.’
Dat zegt de vader tegen zijn mopperende oudste zoon.
Een mooiere omschrijving van het geloof is niet te geven:
Altijd bij onze Vader zijn.
En niet alleen voor geloof is dat een mooie omschrijving.
Zo zouden we ook geluk kunnen definiëren, of leven.
Dat zouden we kunnen antwoorden, als mensen vragen of je gelukkig bent:
‘Als ik bij de Vader bent, dan wel.’
Of als mensen vragen wat je in je leven wilt bereiken,
dat je dan antwoordt:
‘Altijd bij de Vader zijn, altijd bij Hem blijven.’
Niet alleen op een avondmaalszondag,
als we bij de Heere aan Zijn tafel zijn, maar elke dag.
Dat is pas leven, dat is pas geluk!
Avondmaal wil ook niet een incident in ons leven zijn, iets dat eenmalig is.
Nee, de viering van het avondmaal,
gast zijn aan de tafel van de Heere,
is bedoeld om ons te helpen elke dag bij Hem zijn en met de Heere te leven.

In die woorden die de vader tegen de oudste zoon zegt,
gaat een diepte open: ‘Je bent altijd bij mij.’
Alsof de vader voelt dat die oudste zoon stiekem met jaloezie kijkt
naar wat de jongste zoon allemaal gepresteerd heeft.
Natuurlijk, van binnen is er de boosheid bij de oudste zoon,
boos dat zijn jongere broer de gehele erfenis erdoorheen gejaagd heeft
met een zondige levensstijl.
Het is alsof de vader proeft dat zijn oudste zoon het geluk
ook ergens anders had willen beproeven – maar nooit durfde.
Nooit durfde die oudste zoon een klein feestje te geven.
Niet voor het hele dorp, zoals zijn vader heeft gedaan bij de terugkeer van de jongste zoon.
Alleen een klein feestje voor zichzelf en zijn vrienden.
Hij heeft het nooit aangedurfd, ook niet in het klein.
Waarom niet?
Omdat hij in zijn vader een belemmering zag?
Ik ben nu nog bij mijn vader – later als ik alles voor mijzelf heb, dan…
Voor de buitenwereld doet hij wat er van hem verwacht wordt:
hij blijft thuis, behartigt de belangen van zijn vader,
en toch zou er ook bij hem een afstand tot zijn vader kunnen zijn.
Zijn jongere broer is in een ver land,
maar hij is – hoewel dichtbij – ook ver verwijderd van zijn vader.
Hij heeft niet door dat zijn geluk is, dat hij bij zijn vader is,

met zijn vader leeft en dat de vader alles met zijn oudste zoon deelt.
Zo kan dat in een mensenleven zijn,
Dat je dichtbij iemand leeft, als man en vrouw, als vader en zoon, moeder en dochter
en dat je toch innerlijk van elkaar vervreemd bent.
Ondanks dat je veel bij elkaar bent, of zelfs het zelfde huis deelt,
kan er een diepe kloof zijn.

Ook naar God toe kan die kloof er zijn:
Niet aan de buitenkant, omdat je elke zondag naar de kerk gaat,
omdat je lid bent van de kerk en je kerkbalans betaalt
of misschien wel actief meedoet,
maar toch, van binnen is er een afstand.
Je kunt er niet van genieten, dat je zo heel dicht bij God leeft.
En je kijkt naar de mensen om je heen,
die helemaal niet naar de kerk gaan,
die van zichzelf meer mogen
en je denkt bij jezelf: dat zou ik ook wel willen.
Het probleem van die oudste zoon is niet eens dat hij boos is op zijn broer,
het werkelijke probleem is
dat de oudste zoon geen plezier meer in beleefd om bij zijn vader te zijn.
‘Jij bent altijd bij mij.’
Gemeente, daarin ligt uw geluk, uw leven.
Altijd met de Heere te leven en altijd bij Hem te zijn,
onderdeel zijn van Zijn gemeenschap
– als dat de basis van ons leven niet is,
dan hebben we helemaal niets.
Dan is ons geloof een lege huls
en je kerkgang verbloemt de innerlijke afstand,
die de mensen niet waarnemen, maar God wel.
Dan geldt voor ons, wat de vader tegen de oudste zoon zegt:
‘Besef je wel dat je broer dood was, toen hij ver bij ons weg was.
In jouw zit er misschien ook wel datzelfde verlangen
om je geluk en je leven buiten mij op te vinden.
Maar besef je dan niet dat het leeg en doods is.
Je hebt niets!’
De vader ervaart het terugkomen van zijn zoon als meer dan een terugkomen, een weerzien.
Voor de vader is de terugkomst van zijn zoon een opstanding uit de dood.
Leven in gemeenschap met Christus is leven hebben, is opstaan uit de dood.
We leven wel naar avondmaal toe – een week van voorbereiding.
Maar we moeten ook uit avondmaal leven.
Niet doen alsof het nu vandaag voorlopig voorbij is.
Nee, we zijn er weer bij bepaald dat er maar één plek is waar we moeten zijn:
Bij Hem. – ‘Jij bent altijd bij Mij.’ Altijd. Altijd bij Mij.
Dat is toch bijzonder.
Iets om je over te verwonderen.
Iets om te koesteren en het je nooit meer af te laten nemen.
Niet door je eigen twijfel, niet door drukte, niet door onachtzaamheid.

Leven in gemeenschap met Christus is leven hebben, is opstaan uit de dood
Daarom is het zo schrijnend als er mensen zijn die buiten Christus leven
en mogen we ons als gemeente er niet berustend bij neerleggen
waarbij we accepteren dat ze nergens meer aan doen.
Als ze er niet over willen praten, als ze niet meer willen komen,
als ze onbereikbaar zijn,
hebben we nog wel het gebed voor hen,
waarbij we de Heere kunnen vragen dat Hij hen stil wil zetten.
We moeten wel beseffen dat dat een ingrijpend gebed is.
Want dat kan betekenen dat hen hetzelfde overkomt als de jongste zoon:
dat ze vastlopen en helemaal niets meer overhebben
en alleen nog maar een honger voelen in zichzelf die zij niet meer kunnen stillen,
een honger, waarbij het heimwee naar vroeger boven komt.
Niet naar de sfeer, geen nostalgie,
maar een heimwee naar God, om weer bij Hem te zijn.

We leven in de lijdenstijd,
de tijd waarin we het lijden en sterven van de Heere Jezus op ons laten inwerken
en beseffen dat we die plaats aan de tafel
alleen maar te danken hebben aan Zijn dood
en een leven met Hem alleen maar aan het kruis dat op Golgotha stond
waar Hij voor ons stierf en Zijn leven gaf.
Dat er voor ons een opstanding uit de dood mogelijk is,
zoals die jongste zoon als een wonder weer levend thuiskomt.
Wie in de gemeenschap van deze Heer leeft,
beseft dat het genade is dat we bij Hem zijn
en dat dat ons geluk en leven is, geschonken leven, gegeven geluk.
Een leven, een geluk dat we ook aan anderen gunnen.
Als u bij deze Vader hoort, krijgt u ook iets van Zijn liefde.
Je gaat op de uitkijk staan, met in je hart het gebed:
Heere, breng ze bij u terug.
Wachtend tot ze komen,
in het geloof dat, hoever ze ook zijn, ze terug kunnen komen.
Als u in de gemeenschap bij deze Vader leeft,
als u deelt in de gemeenschap van Christus – van Hem bent,
– ‘Jij bent altijd bij mij.’
Dan vormt je dat.
Je leert te zien met de ogen van onze Heer.
In de verte ziet de vader zijn zoon al komen.
En voor de jongen is aangekomen, is de vader al diep geraakt,
een medelijden die hem diep van binnen raakt: barmhartigheid.

Wie aan de tafel heeft gezeten bij de Heer,
door Hem is gevoed, vergeven, verzoend,
zou willen dat er anderen ook komen,
om daar aan te zitten, om in de gemeenschap van de Heer te zijn,
terug te keren.
Je gunt het dat ze er ook komen.

De Heere Jezus vertelt de gelijkenis van de verloren zoon niet zomaar.
Hij vertelt deze gelijkenis om de kritiek van de farizeeën en de Schriftgeleerden te pareren.
Jezus ontvangt zondaars.
Hij neemt degenen die zonder God leven op in Zijn gemeenschap.
Hij laat ze toe tot Zijn gemeenschap
en deelt Zijn leven met hen.
Het moet niet gekker worden, geven ze farizeeën en Schriftgeleerden aan.
Ze mopperen onder elkaar. Dit is toch te gek voor woorden.
Hoe kan Jezus dat doen?
Weet Jezus dan niet wie ze zijn
en hen aanklaagt waardoor ze niet in Gods gemeenschap kunnen zijn?
In het verhaal dat Hij hen als antwoord geeft,
wil Christus hen dieper laten kijken.
Hij bekritiseert hun visie op zonde niet.
Zonde is schuld voor God en zonde is een blokkade om bij God te kunnen zijn,
om met Hem te leven, van Hem te zijn.
Maar die schuld is voor Hem geen reden Zich afzijdig te hebben.
Jezus ziet in de schuld van de mensen die tot Hem komen, die bij Hem zijn
en over wie de farizeeën mopperen – Jezus ziet ook hun nood.
Jezus ziet hun schuld, hun zonde, maar Hij ziet ook hun nood, hun verlorenheid.
Ze zijn er niet bij – en dat kan Hij niet accepteren, dat ze er niet zijn.
Ze horen er te zijn, bij Hem, in Zijn gemeenschap.
Maar daarvoor moet er wel iets gebeuren.
Ze moeten gevonden worden, zij die verloren zijn.
In de gelijkenis van de verloren zoon gaat Hij zelfs verder.
Ze moeten weer uit de dood opstaan en het leven herkrijgen,
het leven dat alleen bij Hem te krijgen is.
Jezus laat zondaars, mensen met een leven waarin ze alles hebben vergooid,
tot Hem komen,
Zijn leven delen.
Hier wordt al zichtbaar wat er op het kruis van Golgotha gebeurt:
Dat Hij tot de zondaars gerekend wordt.
Maar niet zomaar, niet uit nonchalance, niet uit verzet tegen Gods wet,
maar juist uit ontzag voor God,
om de liefde van God te laten zien, te brengen
die niet wil dat mensen verloren zijn en verloren gaan.
Als de verlorenen de weg terugvinden, als de doden opstaan en levend terugkomen,
dan is Gods wil vervuld.
Dat is Gods plan, Gods diepste wens.
Daarom, zo zegt de vader tegen de jongste zoon, kan Ik niet anders.
Heb ik geen andere keuze, moet ik wel – feestvieren.
En jij kunt toch niet achterblijven, als je beseft dat je broer opgestaan is uit de dood,
een wonder! Levend teruggekeerd!

Als ik het verhaal van de verloren zoon vertel en uitleg hoeveel hij vergooid heeft,
is er altijd weer iemand die aangeeft dat het wel gemakkelijk gaat:
je leeft er op los – en degenen die wel trouw zijn, die hebben het nakijken.
Die hebben evenveel.
Nee, zegt de vader tegen zijn oudste zoon:
Jij hebt meer dan je jongste broer, niet aan bezit,
maar omdat je altijd bij Mij bent.
Wie gelooft, wie het leven gevonden heeft in Christus,
als u, als jij je geluk in Jezus gevonden hebt, dan is dat toch alles.
Als we dat leven hebben – hebben we toch alles?
Dan hebben we niet de last van die verloren zoon,
die daar terug op het erf van zijn vader er voortdurend aan herinnerd wordt
dat het bedrijf vroeger groter en mooier was
en dat er door zijn toedoen de glans er deels af is.
De jongste zoon draagt de last van al die dagen dat hij niet bij zijn vader was,
een nog grotere last dan het geld dat hij er doorheen gejaagd had.
Dat had hij kunnen terugverdienen,
maar die dagen dat hij zijn vader gemist heeft, niet.
Zo kunnen wij de dagen dat we zonder God geleefd hebben niet overdoen.
We hebben toen echt wat gemist.
We kunnen die keren dat er avondmaal was en we niet aangingen niet overdoen.
We hebben toen echt wat gemist.
Ondanks dat alles, die tekorten, dat ongeloof, dat gebrek aan ijver
was het vandaag toch feest.
Ik kan niet anders, zegt de Vader: Kijk eens hoeveel er het leven, hun geluk
in Mij gevonden hebben, en daarom levend zijn, opgestaan uit de dood.
Dan kan Ik toch niet anders – Ik moet wel feestvieren
en Ik sta op de uitkijk tot die anderen, Mijn andere kinderen, ook komen.
En Ik verwacht van jullie, Mijn kerk, Mijn kinderen
dat je ook op de uitkijk staat en hen welkom heet,
hen opneemt in je gemeenschap en blij bent als ze komen.
‘Ik ben blij dat ook jij er bent!’
amen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s