Preek zondagmorgen 22 november 2015
Schriftlezing: Lukas 14:15-24
Voorbereiding Heilig Avondmaal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Feest – daar zullen we bij het avondmaal misschien niet zo snel denken.
Toch is dat zo.
Volgende week zal de tafel weer voor in de kerk staan,
zullen mensen naar de tafel toelopen en bij de tafel gaan zitten.
Zo zal er in de hemel ook een tafel zijn,
Waar mensen omheen zitten om feest te vieren, dat de Heere God geeft.
Dat feest zal er zijn als de Heere Jezus terugkomt
en als de Heere Jezus het laatste oordeel heeft uitgesproken, over de levenden en de doden,
dan mogen degenen die in Hem geloven met Hem mee
om feest te vieren in Zijn koninkrijk.
Ook bij de Wederkomst van de Heere Jezus denkt u misschien niet zo snel aan feest,
omdat Zijn komst wat in u oproept, vrees, onzekerheid.
Omdat je aan  jezelf voor zijn troon ziet staan en denkt: hoe zal Zijn oordeel zijn?
Hoor ik er bij? Hoor ik er niet bij?
Of u denkt aan anderen: aan uw kinderen, aan je ouders.
Hoe zullen zij het er dan vanaf brengen?
Zullen zij ook in dat Koninkrijk komen? Zullen zij ook aan dat feest deelnemen?

Volgende week, als de tafel voor in de kerk staat met stoelen er omheen,
dan worden wij eraan herinnerd dat er in de hemel, bij de Heere God
er ook een feestmaal zal zijn,
een feest dat de Heere zal geven,
omdat dan alles voorbij is: al het lijden hier op deze wereld,
er zal geen verdriet meer zijn, er zal geen pijn meer zijn,
we hoeven ons niet meer af te vragen waar God is, want Hij is daar.
En niet alleen volgende week worden we eraan herinnerd dat de Heere Jezus terugkomt.
Maar ook vandaag – de laatste zondag van het kerkelijk jaar.
Volgende week begint er een nieuw kerkelijk jaar.
Dat begint niet met 1 januari, maar dat nieuwe jaar begint met de eerste adventszondag.
Het kerkelijk jaar houdt ons voor:
We hebben hier tijd op deze wereld en die tijd is er,
totdat onze Heere terugkomt op de wolken.
We zeggen wel eens, bij een bepaalde datum die er aankomt: D.V. Deo Volente.
Zo de Heere wil. D.V. geeft aan: als God het wil, kan het heel anders lopen.
We maken planning, maar de Heere kan onze planning helemaal overhoop gooien.
Bij elke datum, elke afspraak die we maken, moeten we bedenken:
Misschien is de Heere Jezus dan wel teruggekomen en gaat het onze afspraak niet door.

Kun jij daar naar uitkijken? Of zeg je: laat nog maar even wachten?
Bent u daar mee bezig, dat de Heere Jezus terug zal komen?
Of zegt u: ik wil daar niet teveel over nadenken?
Want om te kunnen verlangen naar de Wederkomst, moet je toch weten of je erbij hoort.
Of je dat van jezelf mag zeggen: ik hoor ook bij de Heere Jezus.
Wanneer kun je dat van jezelf zeggen?

Tijdens een maaltijd, waarbij de Heere Jezus is uitgenodigd,
vertelt de Heere Jezus daarover een verhaal,
een verhaal over een rijke man die een feest geeft
en met dat verhaal wil de Heere Jezus ook uitleggen,
op welke manier de Heere God uitnodigt voor Zijn feest in de hemel.
Het is een rijke man, die een feestmaal wil geven.
Deze man ziet het al voor zich, hoe het feest zal zijn.
Al zijn vrienden zullen er zijn en het zal een vrolijke sfeer hangen.
Tijdens zijn feest zal hij rondlopen of rondkijken
om de feestvreugde van de gasten op te merken en zal gelukkig zijn
als hij zijn vrienden zo vrolijk ziet. Hij kijkt er nu al naar uit.
Hij stuurt een van zijn knechten er op uit,
om aan alle vrienden die hij heeft uit te nodigen.
De knecht maakt alvast de datum bekend, wanneer het feest gehouden kan worden,
zodat de eigenaar weet hoe groots hij dat feest kan organiseren.
Als de knecht terugkomt, kan hij van alle genodigden zeggen, dat ze zullen komen.
Dat doet de man goed: iedereen komt. Wat een mooi feest zal dat dan zijn.
Met veel vreugde is de man bezig met de voorbereidingen.
Voor hem is het feest al geslaagd, want hij geniet er nu al van.
Van het klaarmaken van het vlees, het bedenken van de tafelschikking,
van het uitrekenen hoeveel wijn hij in huis moet hebben,
hoeveel knechten er nodig zijn in de bediening.
Zou de Heere Jezus ook op die vreugde doelen, als Hij tegen Zijn discipelen zegt
dat Hij heen gaat om plaats te bereiden?
De man zal vast ook hebben gehoopt dat de genodigden met net zoveel vreugde
uitkijken naar de feestmaaltijd, wachtend op het seintje dat alles klaar is.
Ik hoop, gemeente, dat u in de komende week u ook kunt verheugen
op het avondmaal, omdat u weet dat het een feestmaal is
dat door onze Heere is opgezet en een voorproefje van dat grote feest in de hemel,
waar alle verlosten bij de Heere mogen zijn, in Zijn heerlijkheid.
Dan is alles klaar en kunnen de genodigden komen
en kan het feest beginnen.

Wie zijn die genodigden?
Wie zijn er uitgenodigd voor het feest van de Heere? Bent u dat? Ben jij dat?
En hoe weet je dat dan?
De allereerste uitnodiging van de Heere kwam, toen u geboren werd uit gelovige ouders.
Dat is niet zomaar gebeurd. Of gelooft u wel dat het toevallig was?
Nee toch, daarin mogen we de hand van de Heere zien.
Een tweede uitnodiging kwam daar kort achteraan, bij de doop.
De doop is een uitnodiging, een dringende oproep,
die niet alleen tot je komt als je gedoopt wordt of als je een doopdienst bijwoont,
maar een roeping, een dringende uitnodiging die een heel leven lang klinkt:
Houd er rekening mee, dat Ik terugkom, wees erop voorbereid.
Bij de doop wordt de uitnodiging overhandigd.
Als u bent gedoopt, dan mag u weten: het is ook voor u.
Maar er hoort nog wel iets bij, namelijk dat u, dat jij die uitnodiging ook aanneemt.
Het aannemen van die uitnodiging houdt in dat je gaat geloven,
dat de Heere Jezus voor je zonden is gestorven,
dat Hij dat heeft gedaan en dat het nodig is, ook voor u, dat Hij aan het kruis ging
en dat je zonder de Heere Jezus er niet komt.
Elke keer als je naar de kerk komt, klinkt de uitnodiging weer opnieuw.
En als je belijdenis van je geloof hebt gedaan, als je aangenomen bent,
dan heeft de kerk die uitnodiging van de Heere nog eens extra kracht bij gezet
– zodat je echt niet meer hoeft te twijfelen en de uitnodiging mag aannemen:
Ik ben ook uitgenodigd.
Belijdenis doen is een extra zekerheid, die we als kerk kunnen geven,
we zouden kunnen zeggen: een bevoegdheid in Gods naam: je bent ook genodigd!
Het is echt waar! Het is ook voor jou!
Je hebt niet een bijzondere ervaring extra nodig,
al kan dat je wel helpen om te geloven dat je ook genodigd bent.
Het kan helpen, maar het hoeft niet.
Eigenlijk is het wel merkwaardig, dat we extra zekerheid nodig hebben
om te weten dat we genodigd zijn.
Want de uitnodiging kwam al uit Gods mond tot ons
en we zouden toch genoeg moeten hebben aan wat God ons zegt?
We moeten God toch kunnen vertrouwen.
Want waar zouden we zijn als we niet meer op Gods belofte kunnen vertrouwen
dat Hij voor ons gestorven is en dat ook wij genodigd zijn – omdat Jezus stierf.
Die onzekerheid is er nu eenmaal
en daar moeten we ook rekening mee houden,
maar we moeten er niet in berusten.
Want dan zeg je: Ik ben niet genodigd. Veel anderen wel, maar ik niet. Het is niet voor mij!
U moet bedenken dat het voor de Heere een genoegen is geweest
om u uit te nodigen, dat Hij wil dat u Zijn gast bent.

Als alles gereed is, stuurt de man zijn knecht er weer op uit.
Dan gebeurt er iets onvoorstelbaars.
Opeens blijkt niemand van de genodigden te kunnen.
Ze hebben met elkaar afgesproken: ‘We komen niet.
We bedenken een manier om de uitnodiging alsnog af te slaan.’
Geen grotere blamage dan een overvloedig feest zonder gasten,
want de uitgenodigde gasten laten daarmee weten:
‘Je hoort niet meer bij ons. Je bent niet meer een van ons.
We willen je niet meer kennen.’
Ze bedenken allerlei doorzichtige smoesjes:
De een wil vlak voordat het donker is een akker inspecteren die hij gekocht heeft,
een inspectie die je uitgebreid doet voor je een akker koopt.
Een ander heeft heeft een aantal koeien gekocht,
maar wil eerst eens bekijken wat hij daarmee aan moet.
Ook dat doe je van tevoren, voor je deze koeien koopt.
De derde is laat alle gêne helemaal varen, om de gastheer te provoceren.
Het genieten van de eerste huwelijksnacht is belangrijker dan jouw feestje.
Als er geen uitnodiging was geweest en als de man een spontaan feestje had gegeven,
waren het legitieme redenen geweest,
maar nu zijn het goedkope smoesjes, je wendt iets voor om aan een uitnodiging te ontkomen.

Je hebt “ja!” gezegd op de uitnodiging, maar bij nader inzien wil je toch niet.
En als die man die uitnodigt nu eens staat voor God,
welke redenen kunnen er dan zijn om onder Zijn uitnodiging uit te komen.
De Wederkomst is best belangrijk en ik wil best in de hemel komen,
maar ik moet eerst mijn bedrijf opbouwen en weten dat het rendeert,
Dan pas kan ik mij richten op Gods toekomst.
Ik moet eerst brood op de plank hebben, een huis hebben om in te wonen,
hier op aarde alles voor elkaar hebben, de kinderen groot zien worden,
Dan pas ben ik klaar voor de Wederkomst van de Heere Jezus.
Allemaal op zichzelf legitieme wensen,
maar een verkeerde prioriteit als ze het verlangen naar een leven met Christus,
als ze een uitzien naar de Wederkomst in de weg staan.
Als je denkt: Die Wederkomst, ik zie dat nog wel.
De genodigden in het verhaal doen alsof ze aan het einde van het feestje
nog even kunnen binnenkomen, zo van hun werk direct door naar het feest.
Niet voor de man die het feestviert, maar toch om zelf nog iets te scoren
aan eten, aan drinken, aan feestvreugde.
Als ik mijn zaken klaar heb, dan kan ik gaan.
Als we in de komende week van voorbereiding onze zonde en vervloeking overdenken,
hoort dat ook een plek te krijgen: stel ik wel de goede prioriteiten?
Zijn er geen aardse zaken die voor mij zo belangrijk zijn,
dat ze het bezig zijn, het gericht zijn op Christus in de weg staan?
Dan zeg je: ik ben genodigd en ik wil best eens een keer naar dat feest van God,
maar op mijn tijd, als ik er klaar voor ben.
Dan heb je niet door hoeveel vreugde God van tevoren reeds had
om het feestmaal voor te bereiden, zich verheugend op alle genodigden die zullen komen.
Hebt u er wel eens aan gedacht, hoeveel verdriet u de Heere doet
als u zich: het komt mij niet uit? Ik ben er nog niet aan toe. Nu nog niet, later, op mijn tijd.

In de gelijkenis richt de Heere Jezus zich tot degenen die van zichzelf denken:
Ik kom er wel. Ik hoef me niet druk te maken, ik zit wel goed.
Vandaag de dag zouden we kunnen zeggen:
Degenen die van zichzelf zeggen: ‘Ik kom er wel – in de hemel.
Daar heb ik de Heere Jezus niet voor nodig.
Als ik maar goed leef. Het op mijn manier doet, dan kom ik er best.’
Juist dan is deze gelijkenis een waarschuwing:
Denk niet dat je er zo wel komt.
Het gaat niet buiten de Heere Jezus om.
Door Hem, als je in Hem gelooft, je vastklampt aan Hem,
Hem ziet als je redder, zaligmaker, dan mag je ook alle vrijmoedigheid hebben om te gaan.
Dat is het royale aanbod van God.
Maar als je zegt: ‘Jezus, heb ik Hem echt nodig? Ik zie het wel als het zover is,
dan zit je mis en dan zeg je: Ach, dat genodigd worden, dat is niet nodig.’
Dan besef je niet dat je zonder Christus verloren bent, dat je niets hebt.
Daarom dienen we in de voorbereiding ook weer uit te komen bij Christus.
Dat je het beseft: zonder Hem red ik het niet. Ik heb Hem nodig!

Het feest dreigt te mislukken.
Dat is toch ook wat voor die man! Wat een schande moet dat geven!
En dan, toegepast op God: We hebben U niet nodig.
We komen er zo wel.
Dat royale gebaar, die overvloedige genade, aardig, maar niet nodig.
In de gelijkenis vertelt de Heere Jezus hoe de genade van God verder gaat,
op zoek naar wie wel die genade wil ontvangen.
Naar mensen die zich overrompeld voelen als ze genodigd worden:
armen en kreupelen, blinden en verlamden.
Degenen die volgens Gods richtlijnen geen offer mochten brengen,
Zij worden gehaald – voor een uitnodiging is geen tijd meer,
ze krijgen geen bedenktijd, ze moeten komen.
Een vreemde groep feestgangers.
Degenen die Jezus’ verhaal horen, voelen wat Jezus bedoelt:
De man verlaagt zich – waarmee de Heere Jezus aangeeft:
God verlaagt zichzelf
En dat is wat we binnenkort ook met Kerst weer vieren:
dat God vanuit de hemel naar de aarde komt,
Dat de Schepper van heel het universum zich tot een knecht, een slaaf maakt,

gelijk aan de armoedzaaiers, aan degenen met een beperking,
aan degenen die eraan lijden dat ze nooit perfect zullen zijn,
Aan degenen die van zichzelf weten: zo, op deze manier hoor ik niet bij God.
Aan hen maakt God zich gelijk – Hij verlaagt zichzelf
om hen bij Zijn feest te brengen.
En terwijl de feestruimte volstroomt, is er nog plek.
Ongehoord! Moet je voorstellen hoe groots dat feest van deze man moet zijn,
Dat als de hele onderklasse is uitgenodigd er nog volop plaats is.
Dan moet de knecht erop uit:
Haal degenen die er in het dorp niet bij horen, voor wie er geen plek is
in de gemeenschap: de zwervers, de schoffies, de mensen met een verleden,
met een strafblad, met een vergooid leven.
Dwing ze! Smeek ze!
Ze hebben uit zichzelf geen waardigheid, geen status.
God geeft die waardigheid, die status.
Ook zij – zij moeten komen.
Tot welke groep behoort u?
Tot de eerste groep, de uitnodiging ontving, maar die Jezus niet nodig heeft?
Tot de tweede groep, die tot zijn of haar eigen verrassing, stomme verbazing
mag komen aan de maaltijd van onze Heere.
Tot de derde groep, die er nooit bijhoorden, maar gedwongen worden
om in te gaan, omdat onze Heer dat wil.
Of een vierde groep, die deze gelijkenis hoort en er de les uit trekt.
Gelijk aan de eerste groep, maar dan wel beseft:
Het is ernst die uitnodiging.
Ik zal komen. Niet om er vanaf te zijn, maar omdat het ook voor mij een grote vreugde is
om bij deze Heer te zijn,
dankbaar dat Hij mijn Heer, mijn redder, mijn zaligheid is.
Lieve Heer, Gij zegt kom en ik kom
Amen



 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s