Overdenking in de IECO-dienst
Romeinen 15:13

Lisa was 5 jaar toen Herbst haar voor het eerst ontmoette. Lisa zei bij die ontmoeting: ‘God houdt niet van mij. Hij wil niet dat ik gezond wordt.’ Zij was in het ziekenhuis, omdat een hersentumor operatief verwijderd moest worden. Na de operatie bleef zij nog enige tijd om te herstellen van de operatie. In die tijd bezocht Herbst haar elke avond en las haar voor. Lisa’s houding veranderde voortdurend: dan was ze moedeloos, dan opgewekt, soms ook niet aanspreekbaar, vaak lief en aandoenlijk. Bij het vaste afscheidsritueel hoorde de vraag van Lisa: ‘Wanneer komt u weer?’
Op een avond las Herbst het verhaal voor van de storm op het meer, die door Jezus werd gestild. Tijdens het voorlezen viel Lisa in slaap. Hij dekte haar toe en verliet met een onbevredigend gevoel de kamer uit. De volgende morgen kwam hij de moeder van Lisa tegen: ‘Moet u eens horen wat Lisa vanmorgen vertelde. Lisa vertelde hoe de dominee was gekomen en een verhaal had verteld. En Lisa zei: ‘Mama, moet je voorstellen, ik ben bij Jezus in de boot in slaap gevallen.’’

Lisa laat daarmee iets zien van wat Paulus bedoelt als hij schrijft : de God van de hoop moge u vervullen met vreugde en vrede in het geloven. In een klein kind, dat Jezus alleen maar kent van de verhalen van de ziekenhuispredikant, kunnen we zien wat er gebeurt als God ons vervult met vreugde en vrede in het geloven:
een klein kind dat zich kan overgeven aan de slaap, omdat het weet: nu ben ik bij Jezus en daarom kan ik veilig slapen, omdat Hij over mij waakt. God is onze hoop  en het bijzondere is dat God die hoop ook aan ons geeft, door zichzelf aan ons te delen, toen Jezus naar de aarde kwam om onze plaats in te nemen, als Hij Zijn Heilige Geest geeft om in ons hart te werken. Dan gebeurt er iets. Soms is kleins, zoals een klein kind dat in slaap valt, omdat het vertrouwt op Jezus, maar ook iets groots, als er iemand is die gaat geloven in de Heere Jezus.
We zeggen dat heel makkelijk: God is onze hoop en Hij geeft ons hoop. Maar ik denk dat er heel wat gelovigen zijn, die op zoek zijn naar de hoop die God geeft, die juist niet de ervaring van dat kleine kind hebben. Als de avond valt en de nacht komt, dat ze dan bij Jezus in de boot stappen, maar het donker in gaan, waar het spookt en stormt, Waar ze hun eigen angsten tegenkomen, nare herinneringen die hen lang kwellen, zorgen die als een steen op hun hart ligt,  Waardoor ze de hoop die God geeft niet kunnen vinden. In een boek over preken maken dat ik onlangs las, kwam ik tegen dat elke preek hoop moet bieden. Dat heeft mij er de ogen voor geopend,  dat heel veel mensen naar de kerk komen, omdat ze God weer opnieuw willen vinden, als is het maar een klein teken. Het valt mij vaak op hoe mensen op zoek zijn naar tekenen van hoop om zich heen
waarin ze Gods hand proberen te zien: een vlinder die rond mensen fladdert als een knipoog van de overledene, een stralende zon die zijn warmte afgeeft, als de stoet op weg is naar het kerkhof, een regenboog die wordt gezien op weg naar het ziekenhuis, waar een ingrijpende operatie zal zijn.
Als mensen zijn we vaak op zoek naar hoop en dat komt ons niet aanwaaien. De Bijbel houdt ons steeds voor,
dat God onze hoop is. Het mooie van de Bijbel is dat ik daarin zie dat die hoop ons niet komt aanwaaien. Die hoop moet bevochten worden, zoals dat gebeurt in Psalm 42, waarin ik het tegen mijzelf zeg: Wat buigt gij u neder mijn ziel en zijt gij onrustig in mij, hoop op God! Je moet er in gesterkt worden, zei pas iemand tegen mij. Daarmee werd bedoeld: ik klamp me vast aan de Heere en alleen als Hij mij kracht geeft, kan ik verder, heb ik hoop en kan ik alle moeilijkheden dragen die ik te dragen heb.
Het valt mij op dat heel veel mensen hoop zoeken, op zoek zijn om er boven uit getild te worden, maar daarbij niet bij de Heere uitkomen. Alsof ze het niet bedenken, maar veel vaker nog, omdat ze niet durven.

Een voorbeeld, ook weer van een – andere – ziekenhuispredikant: Een man in de vijftig, opgenomen met een hartinfarct. In de kerk kwam hij niet meer. Er was wat gebeurd, jaren geleden, zijn ouders hadden ruzie gehad met een ouderling en sindsdien kwam de familie niet meer. ‘Jammer?’ vroeg ik hem. ‘ ‘k wee nie’, zei hij ontwijkend. En toen: ‘Vannacht werd ik wakker met een liedje in mijn hoofd.’ ‘Een liedje…?’ Hij wist het nog. Letterlijk zelfs. Hij begon het voor mij te zingen, want de wijs was ook belangrijk, zei hij. Het kon ook best, want er was niemand anders op de kamer.
Wie maar de goede God laat zorgen
en op Hem hoopt in ‘t bangst gevaar
Is bij Hem veilig en geborgen
die redt Hij godd’lijk, wonderbaar
‘Waar komt dat nou vandaan?’ vroeg ik. ‘Ik zou dat niet weten,’ zei hij, ; Van vroeger. Een psalm van de zondagsschool zeker.’ Ik zag weer zijn tranen.  ‘Ik schaam me een beetje,’ zei hij, ik doe nooit wat met mijn geloof. en nou zit ik weer een potje te grienen om zo’n psalm. Ik werd er wel rustig van aan de ene kant, maar aan de andere kant ook weer niet. Ik was er wel blij om, maar ik dacht ook: als ik er nou wat aan heb, kan ik later natuurlijk niet meer doen alsof God me niet kan schelen.’ ‘Zou het God iets kunnen schelen hoe het met u is, denkt u?’ Hij keek mij niet-begrijpend aan. ‘God heeft wel wat anders te doen. Denk ik.’ Hij keek naar buiten.
De avond viel, de eerste sterren twinkelden aan de hemel. ‘Hoe zouden al die mensen Hem interesseren?  Zoveel sterren. Zoveel mensen. Dat kan Hij toch niet bijhouden? Ik ben maar een nietig mensje.’

Zou het God iets kunnen schelen hoe het met deze man is, denkt u? En met u, met jou? Of wij God iets kunnen schelen, kunnen we zien aan Jezus. Gods eigen zoon, naar deze aarde gestuurd om in onze plaats de schuld te dragen. Daarmee liet God zien dat het Hem kan schelen hoe het met ons gaat. Ook dat is wat veel mensen gemeenschappelijk hebben: dat ze zich niet kunnen voorstellen dat God ook echt om hen geeft en dat ze geloven dat Jezus bestond, en dat Hij van de aarde kwam naar deze aarde. Maar voor hen? Voor mij? Ze kunnen dat niet geloven. Ze kunnen het zich niet voorstellen dat Christus hen heeft aanvaard. Dat is niet alleen maar iets voor de zwaardere kringen volgens mij. We kunnen soms zoveel over Gods liefde zingen die ons  aanneemt om de twijfel die wij daarover hebben te overstemmen, zodat we die innerlijke stem niet horen. Het is ook iets om je erover te verbazen, om God te loven, dat Hij Jezus zond. Wat ons verbindt, is de verbazing dat God Zijn zoon over had – voor ons. Wat ons samenbindt, is dat Christus stierf, toen wij nog zondaars  waren. Wat ons samenbindt, is dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde van Christus. Wat ons samenbindt is dat God, die onze hoop is, ons vervult met Zijn Geest, waardoor we vol van vreugde en vrede worden totdat wij allemaal – iedereen op de wereld – de naam van God kan loven en belijden als Heer, soms zo eenvoudig als een kind – in slaap vallend in de boot bij Jezus.  Of als die man, die verrast werd door de vraag
of God iets om hem gaf. Later komt de predikant hem weer tegen. ‘Hoe is het met u?’ ‘Ik wilde de oude worden, maar ik ben een beetje nieuw geworden.’ ‘Godlof’. De man knikte
De God nu van de hoop moge ú vervullen met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat ú overvloedig bent in de hoop, door de kracht van de Heilige Geest.
Amen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s