Der Weg ins Geheimnis.

‘Achter de wens om te veranderen gaat vaak het verlangen schuil om God werkelijk te ontmoeten.’
N.a.v. Martin Nicol, Der Weg ins Geheimnis. Plädoyer für den Evangelische Gottesdienst (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2009)

Een van de belangrijke ontwikkelingen in de homiletiek is dat de preek niet meer los gezien wordt van de eredienst. Bezinning op de preek, zonder daar de eredienst en de liturgie bij te betrekken, is ondenkbaar. Enkele jaren geleden publiceerde de Duitse praktisch-theoloog Nicol een mooi en uitdagend boek over liturgie. In dat boek voert hij een pleidooi voor de klassieke kerkdienst, maar vraagt hij in één adem meer aandacht voor het vierende karakter en de sacramentele dimensie van de eredienst.

978-3-525-61050-3

Nicol heeft de gewoonte ontwikkeld om bij alles wat hij leest de vertaalslag te maken naar de prediking en de liturgie. Zijn boek wemelt van de prikkelende citaten uit columns, dagboeken, theologische literatuur, romans en gedichten. Als lezer ben je je daardoor voortdurend bewust van de cultuur waarin we leven. Intussen heeft het boek een sterk theologisch profiel, omdat Nicol, leerling van de dogmaticus Friedrich Mildenberger, de systematische theologie bepaald niet verwaarloost.
Het boek biedt een uitdagende visie op een ‘gewone’ kerkdienst, waarbij Nicol overtuigend aangeeft dat zo’n eredienst niet alleen een binnenkerkelijke betekenis heeft. Elke kerkdienst heeft politieke implicaties, omdat God als Heerwordt aangesproken en omdat de Schrift zegt dat Hem heel de aarde toebehoort.
Aangescherpt door zijn observaties, speur ook ik in alles wat ik lees naar de uitdagingen voor de bezinning op prediking en liturgie. Zo las ik in een verslag van een lezing voor theologiestudenten:

„Liturgie bewaart ons bij Hem, de God van het verbond. Het sterke besef daarvan maakt dat onze eerste associaties bij het woord liturgie er meestal naast zitten. Wie anno 2013 aan liturgie denkt, heeft het over spanning in de gemeente, over een lastig thema, over de balans tussen vernieuwen of bewaren – terwijl voorbijgeleefd wordt aan de functie van de liturgie.” (drs. P.J. Vergunst, in: RD, 26-8-2013).

Bij deze betekenis gaat het in de liturgie niet om wat wij God of de gemeente te bieden hebben. De liturgie gaat niet van ons uit. Het gaat niet om de beweging van de aarde naar de hemel, maar vanuit de hemel naar de aarde. Er gebeurt iets aan ons: bewaring bij de God van het verbond. Er wordt op ons ingewerkt, het is een kracht die sterker is dan wijzelf en de krachten om ons heen. De liturgie is onderdeel van de volharding der gelovigen, een middel waarmee de Heilige Geest de gemeente bewaart voor afdwalen, gemakzucht, vertwijfeling, vallen in zonde, verwereldlijking of welk ander gevaar dat de gelovige ook maar bedreigt. Liturgie is daarmee meer dan een louter menselijke activiteit. De woorden in de dienst worden door de Geest gebruikt om ons aan te sporen, te bemoedigen, terug te roepen of te corrigeren.  In een kerkdienst gebeurt daarom nogal wat. Nogmaals Vergunst:

„In de eredienst en zijn liturgie gaat het dus om het scherp van de snede. Daarom is een verkeerde kijk op de eredienst zo ernstig. Daarom moeten we veel meer focussen op wat een eredienst ten principale is dan dat we spreken over onze voorkeuren en wensen, die van onze kinderen, of die van de dertigers.”
Wie beseft dat de heilige God Zich tot mensen richt, dat Christus als de Middelaar van het verbond ons ontmoeten wil, heeft volgens Vergunst de sleutel in de hand voor het verstaan van de eredienst. De gereformeerde eredienst is een afwisseling van spreken van God en antwoorden van de gemeente.’’

Godsleer
Wie geen vreemdeling in Jeruzalem is, beseft de kerkpolitieke lading van dit citaat, bedoeld om richting te geven aan discussies binnen de Gereformeerde Bond over de invulling van de kerkdienst. Maar dit citaat bevat meer: het besef dat in deze traditie levend gehouden wordt, dat het in de eredienst gaat om het naderen van de heilige God tot de mensen. Aan deze paar regels kan al een hele Godsleer ontleend worden: het gaat om een heilige God, die handelt als drie-enige God, die een verbond met mensen heeft gesloten. Deze God heeft de mensen niet prijsgegeven, maar richt zich tot hen. Dit naderen van God is een spanningsvol gebeuren, waarbij er veel voor de mens op het spel staat. Dat maakt een verkeerde kijk op dit gebeuren ook zo ernstig. Op de keper beschouwd zijn bijna al deze aspecten van God omstreden. Binnen en buiten de kerk worden ze betwijfeld of zelfs openlijk ontkend. En dan hebben we het nog niet eens over de aanvechtingen van degenen die dit wel (willen) geloven, maar niet ervaren.
Daarom is deze visie op liturgie als ‘het naderen van de heilige God tot mensen’ ook provocatief. God is een levende realiteit, die zich laat ontmoeten. In deze visie wordt ook het besef levend gehouden dat het niet zozeer draait om het beeld dat wij van God hebben, maar vooral om hoe Hij over ons denkt. In die ontmoeting spreekt Hij ons aan op onze verhouding tot Hem.

Aanspraak
Zit ik er ver naast als ik in deze omschrijving van de eredienst ook het verlangen van een kerkganger hoor? Vergunst is geen predikant maar kerkganger. Uit deze omschrijving spreekt ook het besef dat hijzelf bewaard moet blijven bij de God van het verbond. Hij verlangt naar de ontmoeting met de heilige God, een ontmoeting op het scherpst van de snede, omdat hij wordt aangesproken op zijn verhouding tot God. Wanneer ik dit verlangen tussen de regels door opmerk, moet ik denken aan een recente preekbespreking met mijn kerkenraad. Daarin vroegen de ambtsdragers of ik hen in mijn preken scherper wilde aanspreken op hun leven met de Here. Minder spreken over ‘ons’ en ‘wij’, meer over ‘u’ en ‘jij’. De preek moest meer een aanspraak van Godswege zijn. Want daarvoor kwamen ze naar de kerk.

Liturgie als een gebeuren op het scherpst van de snede, omdat de heilige God ons nadert. Ervaren kerkgangers dat? De wens van gemeenteleden om veranderingen in de dienst door te voeren, wijzen eerder op het tegendeel. Achter pleidooien voor verandering gaat vaak het verlangen schuil om God werkelijk te ontmoeten en zijn aanwezigheid te ervaren. Want ondanks de provocatieve omschrijving zijn kerkdiensten geregeld het tegenovergestelde van een uitdagend gebeuren. Hoe vaak krijg je nu de indruk dat het een ontmoeting is waarin het erom spant? Hoe komt dat eigenlijk?
Protestanten missen vormen om hun theologie ‘uit te voeren’. De momenten waarop wij ons als gemeente – in antwoord – tot God richten kunnen nog wel gemakkelijk aangegeven worden. Maar hoe zit dat met de omgekeerde beweging? Tijdens welke momenten van de dienst merken wij dat God ons nadert? Tijdens welke momenten merken wij dat er voor ons veel op het spel staat?

Rituelen
Dit gemis aan de omgekeerde beweging heeft te maken met de protestantse huiver en argwaan voor rituelen. Omdat rituelen niet gebruikt kunnen worden om Gods aanwezigheid af te dwingen en vormen van spiritualiteit geen Godsontmoeting garanderen, hebben protestanten een moeizame omgang met rituelen en vormen. Dat zou geen bezwaar geweest zijn als protestanten ingewijd werden in het gebruik van rituelen met behoud van de fijngevoeligheid voor de schaduwzijden van het gebruik ervan. Protestanten missen vaak vormen en structuren voor hun geloofsleven. In ons dagelijks leven vinden we maar moeilijk tijd en ruimte om ons met God te verhouden. Met als gevolg dat we ook in de kerkdienst nauwelijks antenne hebben voor het naderen van God; we zijn ons er amper van bewust. Als er vormen zijn, worden zij van hun kracht ontdaan door een uitgebreide aankondiging. Het gebrek aan vormen en rituelen vullen protestanten op met een overvloed aan informatie. In plaats van rituelen uit te voeren, worden ze vaak uitgebreid uitgelegd: in plaats van de doop te bedienen, wordt de doop na het lezen van het formulier nog eens uitgelegd aan de kinderen. Alsof men niet vertrouwt dat de kinderen de doop met eigen ogen zien en daar thuis vragen over zullen stellen. De zegen wordt vaak met een uitgebreide aankondiging gepresenteerd, alsof gemeenteleden niet ervaren dat de zegen hen opgelegd wordt. Zelf betrap ik mij erop voorafgaand aan de Schriftlezing allerlei uitleg te geven over het gedeelte. Alsof er geen gereformeerde regel bestaat dat het Woord van God ook in zichzelf zeggingskracht heeft…
Tijdens afkondigingen worden gemeenteleden nogal eens opgeroepen om een bepaalde georganiseerde activiteit trouw te bezoeken. Wordt de gemeente dan herinnerd aan een activiteit waarbij het lichaam van Christus opgebouwd wordt, of gaat het om een activiteit van een vereniging waarbij een minimum aantal deelnemers nodig is om deze activiteit te laten slagen?
Overbodige informatie kan een vorm van verhulde wereldgelijkvormigheid zijn. Zoals deze formulering tijdens een votum en groet: ‘Ook vanmiddag is ons samenzijn geheiligd…’ Het gebruik van deze tijdsaanduiding is niet alleen overbodig, het gaat er ook aan voorbij dat in God en in de ontmoeting met Hem heden, verleden en toekomst samenkomen. Hij is de God die is, was en komen zal. Ook in de samengekomen gemeente komen heden, verleden en toekomst samen. Bijvoorbeeld als het geloof beleden wordt in gemeenschap met de kerk van alle tijden en plaatsen.  Is het uiteindelijk geen vorm van wereldgelijkvormigheid? Want nog voordat we ons Gods omgang met de tijd realiseren,  worden we herinnerd aan de tijd op onze klok. Zo wordt de proclamatie ingewisseld voor informatie.

Doxologische werkelijkheid
In de kerkdienst gaat het om een andere werkelijkheid: de werkelijkheid van God hier op deze aarde. Deze werkelijkheid is om de woorden van Martin Nicol te gebruiken een ‘doxologische werkelijkheid’. In de doxologie is de werkelijkheid reeds aanwezig, die in het geloof nog moet gebeuren. Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Het is een eschatologische werkelijkheid, maar in de lofprijzing reeds werkelijk. Daarom zegt de gemeente hier ‘amen’ op: het is zo.
De Roemeense dirigent Sergiu Celibidache kreeg vaak reacties na afloop van een uitvoering:  ‘Het was mooi!’’ ‘Het was bijzonder!’ Het mooiste compliment kreeg hij van een Duitse prinses, aan het begin van zijn carrière. Ze zei slechts: ‘En zo is het!’ Martin Nicol vertaalt dit naar de liturgie. Wanneer de gemeente ‘amen’ zegt, zegt ze: ‘En zo is het!’ Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Al is het nog niet onze ervaring. Al is het niet ónze aardse werkelijkheid. Het is toch werkelijkheid: Gods werkelijkheid, doxologische werkelijkheid. ‘En zo is het!’
Om in deze doxologische werkelijkheid te komen, moeten wij een grens over. Rituelen kunnen daarbij behulpzaam zijn. Door het gebruik van een ruime stilte. Door proclamatie: ‘In naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest’, ‘Onze hulp is in de naam van de Here’.

Heilige tijden
Nu kan die doxologische werkelijkheid overal aanwezig zijn, omdat God overal aanwezig kan zijn. Binnen het protestantisme zijn er stromingen die daarom de kerkdienst relativeren. Maar, zo geeft Nicol aan, zo kan deze werkelijkheid vervluchtigen. Zonder doordeweekse ‘heilige tijden’ verdwijnt ons stil worden voor God en verstomt ons bidden. Zonder heilige dagen missen wij de vaste momenten om deze werkelijkheid binnen te gaan en raakt deze doxologische werkelijkheid voor ons verborgen. Waardoor wij weer vergeten dat Gods heerlijkheid over heel de aarde is. Waardoor wij vergeten dat heel ons leven, van dag tot dag, aan de Here geheiligd moet zijn. Heilige tijden en heilige plaatsen zijn pars pro toto: de zondag is geheiligd, zodat wij elke dag heilig leven. De gemeente komt op een bepaalde plaats en in een bepaalde ruimte bijeen, vanuit het besef dat God Heer is over heel de aarde. In de kerkdienst betreden wij Zijn werkelijkheid, de plaats waar Hij woont en laten wij Zijn Geest op ons inwerken. Vanuit het geloof dat heel ons leven, van dag tot dag, aan Hem gewijd moet zijn.
Het gebeurt nogal eens dat er een tegenstelling wordt gecreëerd tussen een kerkganger en een discipel, waarbij er denigrerend gesproken kan worden over degenen die de kerkbank verwarmen maar in hun dagelijks leven geen discipel zijn. Deze tegenstelling is een miskenning van wat er in de kerkdienst gebeurt: de inwerking van Gods Geest. Een discipel kan niet zonder kerkgang. Niet alleen omdat op deze dag alle dagen geheiligd worden en aan Christus worden toegewijd, maar ook om herinnerd te worden aan de doxologische werkelijkheid en deze werkelijkheid al in dit leven te vieren. Protestanten hebben de neiging om heiliging vooral te duiden als onderdeel van de weg van het heil of vanuit de ethiek. Heiliging wordt dan gezien als het werk van God aan ons of als een radicaal leven in de navolging. Volgens Nicol hoort er nog een derde element bij: het vieren, het waarnemen en het binnentreden van de doxologische werkelijkheid. Zonder dit derde element raakt een wezenlijk onderdeel van de gereformeerde visie op liturgie naar de achtergrond: het loven van God met woord en daad.
Het boek van Nicol is een hartstochtelijk en uitdagend pleidooi om deze doxologische werkelijkheid te vieren en binnen te treden in een ‘gewone’ kerkdienst en deze werkelijkheid in onze eigen wereld waar te nemen.

N.a.v. Martin Nicol, Weg im Geheimnis. Plädoyer für den Evangelische Gottesdienst(Göttingen: Vandenhoeck, 2009)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s