Preek afsluiting VBW 2015 – ‘De Bouwplaats’

Preek afsluiting VBW 2015 – ‘De Bouwplaats’
2 Samuël 7:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wie van jullie is in de vakantie bij de zee geweest?
En wat heb je daar gedaan?
Weet je wat ik het leukste vind bij de zee?
Om een strandkasteel te bouwen,
een strandkasteel dat sterker is dan de golven van de zee.
Ik houd niet zo van zwemmen in de zee,
of van liggen zonnen op het strand.
Als kind vond ik de zee maar koud en vies door het zout.
Zwemmen in de golven vond ik ook spannend.
Ik had het ook koud, door de wind die waaide.
Wat ik wel leuk vond, was zo’n zandkasteel bouwen.
Het liefst een zandkasteel dat sterker is dan de golven.
Het was de sport om te kijken hoe lang zo’n kasteel zou blijven staan,
ook als de vloed opkwam en de golven steeds hoger kwamen.
Het mooiste was als er van dat kasteel de volgende dag nog iets te zien was.
Dan was ik daar trots op: dat kasteel had ík gebouwd
en het had toch maar voor een dag de golven doorstaan.

Iets maken dat langer niet zomaar kapot gaat en heel lang blijft staan
– is dat ook de wens van David?
Om voor God iets te maken dat niet zomaar kapot gaat,
dat lang blijft bestaan,
zodat het volk Israël eeuwenlang naar deze plaats kan toegaan?
Als David naar zijn eigen paleis kijkt
en dan denkt aan de tent waarin de ark van God staat,
valt hem een verschil op.
Het paleis dat hij heeft laten bouwen is een sterk en degelijk gebouw,
van het hardste hout dat hij had kunnen krijgen: cederhout.
Iedereen die het paleis ziet, is onder de indruk.
Dat paleis zegt ook iets over de regering van David:
net zo stevig en degelijk als het stevige, indrukwekkende paleis.
Stevigheid, dat straalt zijn paleis uit.
Als hij dan denkt aan de ark, de plaats waar God gediend wordt,
dat is maar een tent,
armoedig,
alsof God een zwerver is
en Zijn volk geen geld heeft om aan hun God iets degelijks te geven,
dat langer blijft bestaan.
Gods huis moet net zo lang blijven bestaan als het paleis dat ik heb gebouwd.
Dat is God wel waard: een mooi en kostbaar geschenk
voor alle hulp die de Heere aan David heeft gegeven,
waardoor David nu koning is en niet meer wordt aangevallen door zijn vijanden.
Het lijkt een mooi plan: om zo’n indrukwekkend gebouw voor God,
zodat iedereen die naar Jeruzalem kan zien aan het gebouw
hoe groot en indrukwekkend de Heere is
– en ook hoe dankbaar David is.
De profeet Nathan is dan ook gelijk enthousiast:
dat moet u doen, koning! Doe wat uw hart u ingeeft!
Dat is toch mooi als iemand zoiets over heeft voor de Heere.
Ook vandaag zal dat bewondering opwekken
als iemand bereid is om zoveel voor God te geven
als iemand voor God een monument opricht. Toch?

En toch krijgt Nathan diezelfde nacht de boodschap
dat David geen tempel mag bouwen.
David krijgt van God zelf geen toestemming.
Waarom eigenlijk niet?

Allereerst omdat het rustig in het land is.
David hoeft er niet meer met zijn legers op uit te trekken om oorlogen te voeren.
Nu hij rust heeft, gaat hij nadenken.
Ik kom dat vaak tegen.
Dat iemand gaat nadenken, omdat hij niet veel meer kan doen.
Een vrouw die altijd druk bezig is, in huis of voor anderen, nauwelijks tijd om te zitten.
Ze breekt haar been en moet gedwongen rust nemen.
Dat valt tegen. Er vallen opeens dingen op die ze voorheen niet gezien heeft
en ze gaat nadenken, terwijl ze daarvoor nooit tijd had.
Of een man die altijd druk met zijn werk bezig is.
Hij komt in het ziekenhuis.
Hij is te moe om iets te doen en de hele dag tv kijken of slapen is ook niets.
Omdat hij niets te doen heeft, gaat hij nadenken.
Over zichzelf, over hoe het gaat, over God.
Zo ook met David.
Omdat hij niet meer hoeft te vechten, gaat hij nadenken en rondkijken.
Je ziet hem door de stad gaan lopen,
de stad Jeruzalem had hij nog niet zo lang geleden veroverd op de Jebusieten.
Na zijn overwinning had hij de stad een andere naam gegeven:
stad van David.
Deze stad is van mij.

Ik had vroeger de neiging om overal mijn naam op de zetten:
op mijn schriften, op de kaft van mijn boeken, op mijn tas, soms op muren.
Ik denk dat ik daarmee wilde zeggen: ik was hier.
Zo doet David ook met Jeruzalem. Hij noemt de stad naar zichzelf:
Mijn stad – van mij – door mij bij Israël gekomen en door mij hoofdstad.
Ik was hier.
Zo loopt hij door zijn eigen stad, rond te kijken: van mij, mijn stad.
Mijn stad moet wel uitstraling hebben – allure!
Ik ben tenslotte koning geworden. Wie had dat gedacht,
Dat ik dat snotjochie, weggestopt bij de schapen, eens deze positie zou hebben.
Koning over heel Israël, bevrijder van mijn land.
Dat mag wel gezien worden
en over een poosje mogen ze mijn naam nog wel weten:
David, onze held, bij wie het begon: de vrijheid van Israël.
Hij versloeg de vijanden.
In zijn stad, zijn eigen stad loopt hij rond
en er is 1 plek dat hem tegenvalt.
Weet je welke plek? De plek waar de ark van God staat:
wat armoedig, een tent – geen stevige tempel

Weten jullie trouwens wat de ark is?
(De ark was troon,
gebouwd als een kist, waarop 2 engelen stonden, met de vleugels tegen elkaar.
De vleugels vormden de troon.
op die vleugels troonde de Heere der heirscharen, de Heere van de legers.
Die troon gaf aan: God is hier en
God is klaar om voor je te strijden tegen je vijanden.
Eeen tempel werd in die tijd gebouwd als een paleis, want God is Koning!
Dat hij dat niet eerder heeft gezien – de heilige plaats, de plaats van God.
Dat kan toch niet? Alsof God een zwerver is, een bedoeïen en geen Koning met macht,
die Zijn kracht ook heeft laten zien.
In een tent, dat hij dat niet eerder heeft gezien.
Maar ja, druk. Druk met koning worden, land verdedigen, concurrenten uitschakelen,
macht verstevigen.
Maar goed dat het rustig is en hij een kijkje kan nemen.

In mijn stad wil ik een huis voor mijn God, zoals ik wil en bij mij past,
in mijn stad wil ik God hebben, zoals Hij bij mij past.
De tempel, die David wil bouwen, is niet alleen voor God.
Ook een beetje voor David,
zodat de mensen later David nog herinneren.
Weet je wel, David, die goede koning, dapper en zo gelovig.
Kijk eens wat een mooie tempel hij voor zijn God heeft laten bouwen.
Dat moet wel een goede koning zijn geweest.

Zo is dat bij ons vaak, toch:
dat je de Heere aan de ene kant wil dienen en ook heel oprecht
en dat er toch ook iets van jezelf bij ziet.
Je doet iets voor God en eigenlijk ook voor jezelf,
om gezien te worden, zodat de mensen zeggen: hij was hier.
Kan het anders? Kunnen wij God dienen met 100% zuivere motieven?
Met een oprecht hart?
De Heidelberger Catechismus zegt: zelf onze beste werken zijn nog met zonde bevlekt.
Zelfs het beste dat we doen, zelfs voor God, is nooit helemaal goed.
Het is maar goed dat mijn naam op het predikantenlijst daar in de verte hangt.
In Watergang hing de predikantenlijst vlak tegenover de preekstoel.
Tijdens de kerkdienst keek ik recht tegen mijn eigen naam.
Ik was hier – hier in Watergang.
Ik was hier – mijn gemeente.
Voor je het weet ben je dan net als Nebukadnezer: de stad die ik heb gebouwd. Ik.
David zat er niet ver vandaan:
Jeruzalem, mijn stad – de stad van mij, die ik heb gebouwd,
inclusief de tempel. Mijn tempel voor mijn God.
Uit dankbaarheid, dat zeker ook. Een heel royaal, indrukwekkend gebaar.
En toch, ook een beetje voor jezelf.

De profeet Nathan heeft dat allemaal niet door.
Hij kan niet in het hart kijken.
Doe wat uw hart u ingeeft.
Het hart – ik denk dat er hier in de Bijbel niet voor niets over het hart wordt gesproken.
Toen Samuël in Bethlehem kwam,
keek iedereen op naar de oudste zonen van Isaï.
Zij maakten wel kans, zij hadden het, koningswaardig!
Dan zegt de Heere tegen Samuël: de mensen kijken naar de buitenkant,
wat voor ogen is, wat je met je ogen ziet, God ziet het hart aan.
Zo kijkt Nathan naar de buitenkant en ziet een indrukwekkend gebaar van de koning.
Hij ziet de binnenkant niet, het hart peilt hij niet.
God kent het hart van David.
Heer, die mij ziet zoals ik ben,
dieper dan ik mijzelf ooit ken,
kent Gij mij.

Davids hart was niet zuiver:
hij wilde dat er bij de tempel zo’n eerste steen kwam te liggen:
de eerste steen is gelegd door David, uit dank voor zijn God.
Doordat Davids hart niet zuiver is, kan hij ook niet zuiver kijken.
Dat hangt samen: als je hart vol is van jezelf, kan je God niet zien,
zoals Hij is, zoals God werkelijk is
Het tweede gebod: je mag van God geen beeld maken,
God is niet, zoals jij denkt dat Hij is.
God is zichzelf en vaak anders dan wij denken.
De Heere woonde niet voor niets in “die tent”.
Je hoort de minderwaardige toon in de stem van David: “die tent”, “tussen de gordijnen”.
De Heere corrigeert dat ook: David, die tent is de tabernakel.
Al die eeuwen door, vanaf de Sinaï heb ik in die tent gewoond.
Daar in die tent, woonde Ik, daar stond Mijn ark.
Al die tijd kon Mijn volk mij opzoeken en het was genoeg.
En dan komt er een schaapherdertje
die koning wordt, omdat zijn God hem tot koning uitgekozen heeft,
je bent koning omdat Ik jou heb uitgekozen.
Wie ben je wel dat je voor jezelf een naam bouwt?
Over 100 jaar weet hier in Oldebroek niemand wie ik was.
Misschien over 50 jaar al niet meer, of nog korter.
We zijn een zandkasteel op het strand – we denken heel lang te kunnen bestaan,
maar als de golven van de tijd komen, is er weinig meer van ons over.
Nee, dan God.
Hij is eeuwig, voor altijd.
Hij was er al in de tijd van David, dezelfde God.
David, jij hoeft voor Mij geen huis te bouwen.
Het huis dat jij voor Mij bouwt, hoe stevig ook – zal vergaan.
Dat gebeurde ook, toen Nebukadnezar de stad veroverde,
ging de stad van David en de tempel van David ten onder.

En toch, David ook al gaat jouw stad met de tempel die jij had willen bouwen ten onder,
jouw huis niet.
Jij bent sterfelijk, maar je huis niet.
Jij hoeft je naam niet te bouwen, je hoeft je naam niet overal op te schrijven
om aan de mensen en aan God te laten weten: ik was hier.
God bouwt jouw naam.
Je naam gaat bij God nooit verloren.
Davids naam niet en jouw naam niet.

Hoe kan dat koningshuis van David eigenlijk nooit ten onder gaan?
Want alles wat wij mensen maken, bouwen gaat ooit ten onder,
waarom dat koningshuis van David niet?
Dat heeft met de Heere Jezus te maken.
Jezus was een verre nakomeling van David,
Jezus’ koninkrijk kent geen einde.
Als je in Jezus gelooft, gaat ook jouw naam niet ten onder
maar krijg je in Gods koninkrijk, in de hemel van God een naam die nooit ten onder gaat.
Eeuwig leven bij God.
amen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s