Preek zondagavond 26 april 2015

Preek zondagavond 26 april 2015
Efeze 2:11-22
Tekst: vers 22.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hoe bijzonder de band die je met elkaar hebt als familie of als groep,
merk je pas als er iemand bijkomt die heel anders is,
zo anders dat hij of zij er eigenlijk niet bij past.
Stel: In een gezin zijn de kinderen op een leeftijd gekomen dat ze verkering krijgen.
De eerste die er bij komt, een meisje, past er goed tussen
en wordt zonder problemen opgenomen in het gezin, zij hoort er helemaal bij.
Maar de tweede die er bijkomt, ook een meisje, is zo heel anders.
Ze voelt niet aan wat ze wel en niet kan maken, ze kent haar plaats niet.
Als zij iets zegt, wordt het gesprek heel anders en hangt er een ongemakkelijke sfeer.
En ze bemoeit zich met zaken in het gezin, waar ze zich helemaal niet moet inlaten.
Ze is zo heel anders.
Ze komt ook uit een heel ander gezin en ze kan zich maar niet aanpassen.
De moeder in het gezin heeft haar zoon er wel eens op aangesproken:
‘Die vriendin die je hebt past helemaal niet bij ons soort mensen.
Zou je wel met haar verder gaan?’
Boos loopt de jongen weg en ze hebben het er in het gezin nooit meer over.
Maar de sfeer is sinds de komst van dat meisje zo heel anders.
De vertrouwdheid en de gezelligheid die er altijd ware, zijn weg
en bij verjaardagen en ontmoetingen als zij er bij is.
Je kunt niet alle familiezaken meer bespreken zoals voorheen.
En de band tussen de beide broers, die voorheen heel goed was, is ook veranderd.
Ze trekken niet meer zo vaak met elkaar op en spreken elkaar nauwelijks meer.
De verkering houdt stand en ze trouwen,
maar heeft blijft ongemakkelijk
en de band wordt nooit zo vertrouwd als met de eerste schoondochter.
De schoondochter die er later bij kwam, voelt ook dat zij anders is.
Tegen vriendinnen moppert ze over haar schoonfamilie:
‘Het is echt de kouwe kant. Het is dat hij contact wil houden met zijn familie.
Ik doe het voor hem, maar mij hebben ze nooit geaccepteerd.’

Wat in gezinnen gebeurt, gebeurt ook in kerken.
Eén keer heb ik dat meegemaakt als gastpredikant,
dat er gemeentelid, die nieuw in een gemeente erbij gekomen was,
zoveel spanningen opriep, ook in de dienst waarin ik voorging,
dat de gemeente verscheidene pogingen deed om de man te weren.
Het lukte niet en uiteindelijk vertrok deze persoon door een verhuizing
en de gemeente haalde opgelucht adem bij het vertrek van deze persoon.

In Efeze waren er ook spanningen, doordat er gemeenteleden bij kwamen die anders waren.
Paulus begon met zijn verkondiging in de synagoge.
Hij begon onder degenen die uit hetzelfde volk waren als hij
en ook daar in Efeze leefden met de God van Israël.
Lukas vertelt in Handelingen 19, dat er na 3 maanden spanningen kwamen,
waardoor Paulus moest uitwijken naar een school,
waar ook Efeziërs kwamen die geen Jood waren,
maar wel gingen geloven en bij de gemeente kwamen.
Uit wat we in Efeze 2:11-22 kunnen opmaken, is dat er ook spanningen waren
omdat deze twee heel verschillende groepen zo heel anders waren
en ook een heel andere achtergrond hadden.
De Joden waren opgevoed door hun ouders met de God van Israël.
Ook al woonden ze in Turkije en niet in het Beloofde Land,
ze hielden zich aan de wetten die de Heere aan Abraham en Mozes gegeven had:
ze besneden de jongetjes op de 8e dag, ze hielden zich aan de sabbat,
en zoveel mogelijk aan de andere richtlijnen die in het Oude Testament stonden.
Ze konden niet met alles meedoen in de stad Efeze,
omdat er zoveel tempels en goden waren,
en die goden bepaalden het dagelijks leven in Efeze.
Ze moesten offers brengen voor hun geloof en dat hadden ze ervoor over,
want God is een heilig God en vraagt ook heilig te leven.
Het besef van de heiligheid van God hadden ze van kindsaf aan meegrekegen
door de feesten die gevierd werden, door de preken en Bijbeluitleg in de synagoge,
door de richtlijnen in het dagelijks leven, de omgang met God die er in het gezin was.

En toen kwamen de heidenen erbij, die zo heel anders waren.
Ze misten niet alleen de besnijdenis,
maar ze hadden ook niet het besef van Gods heiligheid meegekregen.
Ze voelden niet aan, wanneer de sfeer heilig moest zijn.
Ze begrepen niet dat God een heilig God is, die je met eerbied en ontzag moet naderen.
Ze snapten maar niet, welke consequenties er zijn voor dagelijks leven als je bij God hoort.
Ze voelden maar niet aan, wat er wel en niet kon in de eredienst,
wat gepast is en wat niet
en ze hadden zo’n heel andere afkomst: ze behoorden niet tot het volk van God
dat God door alle tijden heen verzamelde, ook al woonden zij nu elders.
Het waren mensen die zo ver afstonden van God en daarom nog zo veel moesten leren.
Het werd ongemakkelijk in de gemeente,
want er was geen duidelijke scheiding meer met de wereld om hen heen.
Soms hadden ze het idee dat de mensen uit Efeze toch vooral van Efeze bleven
en niet van Jezus Christus werden in hun dagelijks leven.
Voor de gelovigen, die geen Joodse afkomst hadden, was het net andersom:
de muur die er voorheen was, door de besnijdenis, door de wetten van Mozes,
bleef voor hun gevoel nog steeds bestaan,
ze werden eerder gedoogd dan echt welkom geheten of warm opgevangen.
Alsof er een glazen muur in de gemeente bleef bestaan,
zoals in de echte tempel in Jeruzalem er een scheiding was tussen het voorhof voor de Joden en tussen de heidenen – een grens die de heidenen niet mochten passeren.
Alsof die muur onzichtbaar nog bleef bestaan, door de gemeente heen.
De Joden vonden dat de heidenen zich moesten aanpassen, maar echt begrijpen en aanvoelen wat nodig was, wat gepast was, dat zouden ze nooit kunnen.
De Efeziërs, die van ver kwamen, ze wilden wel, maar voelden dat wat ze ook deden
ze er toch nooit echt bij kwamen, echt opgenomen werden.

Om die reden begint Paulus te spreken over Christus.
Allereerst, omdat Christus door Zijn sterven de afstand heeft overbrugd.
Het klonk al door in de preek die Petrus hield op de Eerste Pinksterdag,
een bekende tekst omdat deze ook in het doopformulier is opgenomen:
Want voor u is de belofte, en voor uw kinderen – dat is voor de Joden,
die de belofte van Abraham gekregen, dat zij Gods volk zijn.
Maar Petrus ging verder:
En allen die veraf zijn – dat waren degenen die geen Joodse komaf hadden
en niet door hun geboorte tot Gods volk behoorden
Zovelen als Heere, onze God, ertoe roepen zal.
Nou, dat was in Efeze gebeurd: ze waren erbij geroepen, beide groepen.
Kijk maar in vers 17: Christus kwam in Efeze.
Niet alleen de boodschap over Christus kwam in Efeze,
in de verkondiging kwam Hij zelf.
Waar over Christus gesproken wordt, daar is Hij zelf aanwezig.
Door Hem konden ook degenen die ver weg waren – vers 13 – erbij komen,
opgenomen worden in de gemeente, opgenomen in de gemeenschap rondom Christus.
En dan is er een tweede reden, waarom Paulus spreekt over Christus.
Vanwege die muur die er in de gemeente is en de gemeente verdeelde.

Juist vanwege die muur spreekt Paulus over verzoening.
Verzoening is een woord dat heel diep gaat, aangeeft hoe een diepe kloof wordt overbrugd,
hoe een muur, die opgetrokken is – bewust of onbewust – en waar je steeds op stuit,
wordt afgebroken.
Verzoening is niet dat twee losse delen aan elkaar gelijmd worden,
want dan blijven het twee afzonderlijke delen, die altijd weer uit elkaar kunnen vallen,
omdat er een breuklijn is tussen de beide delen, afzonderlijk.
Verzoening in families, dat betekent, dat je wel bij elkaar langskomt,
maar dat het dan dat is en niet meer.
Je bent wel samen in een ruimte, maar dat is dan ook alles.
Er is niet echt een gesprek of een echte toenadering, je houdt je allebei afzijdig.
Dat is nog geen verzoening. Hooguit een wapenstilstand, een gedogen,
een noodgedwongen accepteren van elkaar, omdat je met elkaar opgescheept zit.
Verzoening is ook niet, dat de één een stap doet en zichzelf wegcijfert en opoffert.
Zoals een nieuwkomer in de familie zich maar aanpast aan de gewoonten in een familie,
maar niet het gevoel heeft zichzelf te zijn.
Zodra ze zich houdt aan de gebruiken in de familie, dezelfde taal spreekt en ze niet opvalt,
gaat het goed, als ze zich maar aanpast.
Maar dat is geen verzoening. Dat is aanpassen, inschikken.
De een doet een stap naar voren en de anderen wijken iets opzij.
Je hoort erbij, maar dat is dan ook alles. Echt onderdeel ben je niet.
Verzoening is dat twee verschillende partijen samenkomen
en er een heel nieuwe eenheid ontstaat.
Waarbij je niet alleen opgenomen wordt door de ander, maar waarbij je ook geeft.
Waarbij de ander zich opent, oprecht wil weten wie je bent,
een onderdeel van je leven laat zijn, waarbij er begrip is dat je anders bent,
maar waarbij ruimte is om je verhaal te doen, zodat de ander ervan leert
en je vanaf dat moment samen verder gaat
als familie, als gemeente.
Dat is verzoening – zoals dat in een huwelijk gebeurt:
een man en vrouw die allebei uit een heel andere familie komen
en daardoor ook vaak heel anders zijn, anders denken, anders reageren,
andere gewoonten hebben om te leven.
Loyaal en verbonden met de familie waaruit je komt
en toch samen verder.
Paulus legt in hoofdstuk 5 niet voor niets uit dat het huwelijk een manier is
om uit te leggen wat de gemeente is: samen een nieuwe eenheid vormen.
In dat hoofdstuk gaat het om de band met Christus, een eenheid met de Heer van de kerk,
met de Heer van deze wereld, de schepper van hemel en aarde,
die ons geroepen heeft tot dat nieuwe leven,
niet meer veraf, ook niet meer dichtbij. Maar er in – verenigd, tot één geheel.
Ook daar was verzoening voor nodig – door het bloed van Christus (vers 13).
Maar die verzoening werkt ook onderling:
ook onderling tussen de verschillende groepen in de gemeenten
wordt de barrière geslecht en ontstaat er een eenheid, een nieuwe gemeenschap.
Een nieuwe gemeenschap die er in Christus wordt gevormd.
In vers 15 spreekt Paulus over de nieuwe mens,
daarmee bedoelt hij dat het onderscheid tussen Jood en niet-Jood er niet meer is,
geen verschil meer in veraf of dichtbij,
maar samen verder, een nieuwe eenheid – in Christus.
Dat is ook het geheim – het gebeurt in Christus.
Het samenvoegen, de verzoening is geen mensenwerk.
Het zijn geen mensen die samen een compromis sluiten, die een stap naar elkaar doen,
elkaar ondanks de verschillen weten te winnen.
Het is Christus die de verzoening bewerkstelligt. Hij brengt niet alleen verzoening.
Hij voegt niet alleen samen en heelt de breuk die er was,
maar Hij is de verzoening. In persoon. In Hem komt het samen.
Want Hij is onze vrede, die beiden één maakt.
Hij verzoent en dat betekent dat Christus bij elkaar brengt
degenen die uit zichzelf niet bij elkaar kunnen komen, omdat er een muur tussen hen in zit.
Dat kan binnen de gemeente, maar ook binnen families.
Verzoening betekent dat de pijn die veroorzaakt is, uitgepraat kan worden,
omdat er een bereidheid is om elkaar werkelijk te zien en te horen, elkaar uit te laten spreken, omdat je met elkaar verder wilt – wat er voorheen ook misgegaan is tussen jullie.
Omdat Christus de muur heeft afgebroken en de vijandschap heeft overwonnen,
sterker nog: de vijandschap heeft meegenomen de dood in, toen Hij stierf aan het kruis.

Als de dood van Christus de onoverbrugbare kloof die er tussen God en mensen was
kon overbruggen, kan Zijn dood ook de kloof die er gekomen is tussen mensen,
die voor ons gevoel niet meer te overbruggen zijn, overbrugd worden,
kan er toenadering komen, contact, gesprek,
twee overzijden die zich schenen te vermijden worden één, een nieuwe gemeenschap,
herschapen tot de nieuwe eenheid door God.
Een nieuwe gemeenschap om Christus, waarbij je elkaar niet meer uit de weg gaat,
maar waarbij er een gezamenlijkheid is, omdat je in Christus bent
en samen nadert tot één en dezelfde God, die voor allebei een Vader is.
Een nieuw thuis bij God, waarbij het verleden niet meer een scheiding maakt,
het feit dat je uit een heel ander gezin komt niet meer telt,
omdat je nu samen een thuis hebt in Christus.
Of je eerst dichtbij was, zoals de Joden zichzelf dachten, reeds thuis bij God,
omdat God een verbond met hen gesloten had
of dat je ver weg was en een hele afstand moest overbruggen,
ik merk dat aan degenen bijvoorbeeld die niet zijn gedoopt
of die niet met de kerk zijn opgegroeid, hoe zij worstelen met de vraag
of zij wel bij God mogen horen, en wanneer en of ze ooit kwijtraken
dat ze zo weinig weten over God, en zo weinig thuis zijn in de Bijbel
en nooit de vertrouwdheid hebt omdat je de opvoeding niet hebt gehad
en daardoor een achterstand.
Dat verschil valt weg, zegt Paulus, in Christus. In Christus komt er iets nieuws.
Je bent geen vreemde meer.
Nou, er kan heel lang over heen gaan, voordat iemand opgenomen wordt
in een gemeenschap of iemand zich opgenomen voelt in een gemeenschap.
God zegt: je bent geen vreemde meer, maar er één van Mij.
Je bent niet meer ver weg en ook niet meer dichtbij – maar je bent van Mij en in Mij.
Niet meer iemand op een afstand, niet meer iemand die slechts gedoogd wordt,
maar je telt volop mee, omdat je bij Mij een thuis hebt, medeburger bent.
De openheid die mensen niet zo makkelijk hebben,
om de ander na een diepgaand conflict toch weer op te zoeken en op te nemen,
een nieuwe gemeenschap te vormen, waar de kloof is overbrugd
en wat verkeerd is gegaan vergeven is en een werkelijke verzoening plaats gevonden,
geen het-moet-maar of het-is-niet-anders, maar werkelijk bij elkaar gekomen
geen vreemde, maar iemand die een plek heeft aan de tafel.
Dat is het teken van de verzoening: als je aan elkaars tafel kunt zitten,
samen een maaltijd gebruiken, steeds weer opnieuw, genietend van elkaars aanwezigheid.
Elkaar uitnodigen op een verjaardag is een hele stap dan,
elkaar uitnodigen voor een gezamenlijke maaltijd gaan nog verder:
je stelt niet alleen je huis open, maar ook je gezin, je laat de ander echt delen.
Dat is wat God ervan maakt – een werkelijke eenheid,
waar je samen aan de tafel zit – waarbij Paulus ook aan de avondmaalstafel denkt.
Dat gaat samen op: wie samen aan de avondmaalstafel zit,
kan ook bij elkaar aan de eettafel komen
en als je samen niet aan de avondmaalstafel kunt komen,
omdat de scheur zo diep is, moet je elkaar maar eerst opzoeken aan de eettafel
en het weer proberen met elkaar, niet afgedwongen,
maar omdat er in Christus iets is gebeurd, dat uit kan groeien tot het elkaar weer vinden.
Al duurt dat soms een heel lange tijd van voorzichtige toenaderingen.
Dat wil niet zeggen, dat de toenadering ook altijd lukt.
Maar dat kan alleen als we in ons hart niet accepteren dat de kloof blijft bestaan.

Paulus heeft een reden om er zo op te hameren dat er in de gemeente een eenheid ontstaat,
om de gemeente erbij te bepalen dat God een eenheid maakt.
God heeft daar een doel mee: die nieuwe eenheid, die nieuwe gemeenschap is niet zomaar iets, maar is iets heiligs, want het is de plaats waar God woont: een heilige tempel.
God woont niet alleen in degenen die van oorsprong dichtbij waren,
Hij woont in de nieuwe gemeenschap waar die veraf waren, die er niet mee opgegroeid waren, ook hun thuis hebben gevonden.
Ook in hen woont Hij
en beiden hebben ze het nodig, dat ze verzoend worden, met God en met elkaar.
En dat gebeurt ook en God gaat verder: Hij bouwt verder
tot die nieuwe gemeenschap een plaats voor Hem is om te wonen.
Daarom werd de muur afgebroken en de vijandschap overwonnen,
zodat God de gemeente een woonplaats van God kon worden,
een plek waar God op aarde is en waar Hij woont in de mensen.

Soms moet een huis verbouwd worden.
In de vorige gemeente was er een gezin dat een oude boerderij kocht.
Het was de bedoeling dat die oude boerderij gesloopt werd
om er een nieuwe boerderij op te bouwen.
Het werd een heel lang proces, waarbij de familie in een bouwkeet moest wonen.
Ondertussen werd het gebouw afgebroken en een heel nieuwe boerderij.
Vanaf het fundament, een nieuwe constructie waar de boerderij op rustte,
en daarna de muren daarlangs opgebouwd.
Een lang proces, werk in uitvoering.
Zo is het ook met ons en met de gemeente: God werkt aan ons.
Hij breekt ons af en bouwt ons opnieuw op, vanaf het fundament,
niet meer onze afkomst als fundament, als basis, maar gebouwd op Zijn Woord, Zijn beloften,
en als stalen constructie, waar het gebouw op rust het kruis van Christus
dat heel het gebouw draagt en waarlangs ons levenshuis en de gemeente wordt opgebouwd.
Een levenslange verbouwing.
En als het af is, gaat Hijzelf er in wonen.
Het bijzondere is, dat God al tijdens de herbouw er gaat wonen.
Niet pas als het af is, maar nu al en hij werkt, en schaaft, en bouwt, en breekt af
wat de muren zijn die scheiden en bouwt nieuwe muren die dragen.
Hij maakt ons tot een woning voor Hemzelf – ongeacht onze afkomst
maakt Hij van ons een tempel, waar wij thuis zijn bij God en God in ons.
Een huis van vrede, omdat God daarin woont en wij bij God.
Heel ons leven verder wordt er aan ons, aan de gemeente gebouwt
En zo groeien wij, omdat God bouwt, omdat Hij komt wonen
en ons opneemt, niet als vreemdelingen, maar als kind aan huis,
die bij Hem aan tafel horen te zitten, omdat ze van Hem zijn
en Hij ze zo vormt, dat Hij in hen kan wonen en ze ook echt deel uitmaken
van de gemeenschap die om de tafel heen zit.
Amen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s