Preek Tweede Paasdag 2015

Preek Tweede Paasdag 2015

Openbaring 1:9-18 (19) + 21 :1-5

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het zal een indrukwekkend geweest zijn wat Johannes op Patmos kreeg te zien:
de Heere Jezus zoals Hij in de hemel is.
Hij kan bijna niet onder woorden brengen wat hij te zien krijgt.
Het zijn allemaal beelden door elkaar.
Verschillende beelden in één, omdat één beeld alleen
niet in staat is om Christus’ heerlijkheid en glorie te zien.Johannes ziet Christus als een indrukwekkende Koning,
met alle macht die Hij heeft.
Maar ook als de hogepriester, zoals die dienstdeed in de tempel.
Hij ziet Christus als de schepper van hemel en aarde.
Nog voordat alles bestond, was Hij er al: de eerste.
En als alles voorbij is, ook deze wereld en ons leven, dan is Hij er nog.
De eerste en de laatste: er is niets vóór Hem en er komt niets ná Hem.
Hij omspant heel de geschiedenis van de hele wereld.
Indrukwekkend, zoals Johannes dat te zien krijgt.
Zo indrukwekkend, dat Johannes het niet kan aanzien:
hij valt als dood aan de voeten van deze Jezus in als Zijn schitterende glorie.
U zou Mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven,
zegt de Heere tegen Mozes
nadat Mozes de Heere gevraagd heeft om Hem te mogen zien.
Ook Gods Zoon is te indrukwekkend om met mensenogen te kunnen zien.
Als dood valt Johannes aan de voeten van Jezus,
omdat hij zoveel glans en glorie, zoveel hemelse heerlijkheid niet kan aanzien.
Het zien van Christus is te overweldigend voor hem, Johannes.

In die indrukwekkende, overweldigende verschijning van Christus
aan Johannes op het eiland Patmos zijn er enkele woorden die uit de toon vallen.
Het zijn woorden die Christus spreekt tegen Johannes om hem gerust te stellen:
Ik ben dood geweest.
Soms kun je door wat je mee maakt een Bijbeltekst met nieuwe ogen lezen
en valt er iets op wat je voorheen veel minder opviel.
In de afgelopen week hebben we mijn schoonvader moeten begraven.
Nog geen anderhalve week geleden overleed hij.
In de afgelopen dagen zijn de woorden die Christus spreekt tegen Johannes
voor mij opnieuw gaan leven:
Ik ben dood geweest.
Ik ben dood geweest – dat is geen intermezzo geweest, geen tussendoortje,
even uitrusten van Golgotha om na 3 dagen in met een opstandingslichaam te verschijnen.
Ik ben dood geweest – dat is het einde: het hield voor Jezus op.
Voor Hem die zo indrukwekkend en overweldigend is.
Dat was Hij ook voor Zijn komst op aarde: Ik ben de Eerste.
Zoveel woorden en beelden om die heerlijkheid, de glorie van Christus te beschrijven.
En dan die paar woorden: Ik ben dood geweest.
Wat een tegenstelling: de rijkdom van Christus in Zijn kracht en de hardheid van Zijn dood.
De dood – dat valt niet te beschrijven.
Daar heb je geen woorden voor,
alleen maar machteloosheid – als je iemand moet laten gaan vanuit dit leven.
Voorbij, onbereikbaar,
een kist die in de aarde gaat en met zand overdekt wordt.
Ik ben dood geweest, zegt Christus
en daarmee bedoeld Hij de dood als gevangenis
waaruit geen mens kan ontsnappen.
Ik ben ook in die gevangenis geweest, zegt de Eerste en de Laatste tegen Johannes.
Er is niets vóór Hem en niets ná Hem
en toch is er een moment voor Hem geweest dat alles ophield
en Zijn leven een einde had: in de dood, de gevangenis,
de macht die sterker is dan het leven.
In de afgelopen dagen heb ik weer gemerkt
hoe hard de dood een einde maakt
aan de relaties die er is tussen een vader en zijn kinderen, tussen een opa en zijn kleinkinderen,
hoe de dood een harde werkelijkheid is.
Als die werkelijkheid gekomen is, is het leven niet meer hetzelfde als voorheen.
Ik kan me nu weer goed indenken dat de discipelen na de Goede Vrijdag
in een soort verdoving terechtkwamen,
niet wetend wat ze moesten doen, niet wetend wat ze moesten voelen, wat ze moesten zeggen.
Ze hebben elkaar opgezocht
om herinneringen te delen, om elkaar bij te staan
maar misschien hebben ze elkaar ook wel aangekeken en gedacht:
Wat doe ik hier? En hoe kom ik ooit weer verder?
Na afloop van de begrafenis zongen we als familie ter afsluiting van het samenzijn
het U zij de glorie, een bijzonder moment,
want de begrafenis was in de week die uitloopt op Pasen,
maar ik merkte voor mijzelf dat ik het niet kon meezingen.
Het was nog te vroeg.

Op Goede Vrijdag had ik zullen preken uit het evangelie van Markus,
hoe Markus het sterven van de Heere Jezus aan het kruis beschreef.
We zijn wellicht gewend aan 7 kruiswoorden die Jezus spreekt aan het kruis.
Bij Markus is er maar één kruiswoord:
Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten.
Wanneer Jezus dat heeft uitgeroepen, sterft Hij.
Waarbij je bij Markus niet weet of God Jezus ook verhoord heeft
of dat Hij werkelijk sterft, door God verlaten.
Dat is de dood voor Jezus:
Na de dood aan het kruis was de lijdensweg van onze Heere en Heiland niet voorbij.
Nedergedaald tot in de hel – nedergedaald tot in het rijk van de dood.
Daar waar je als mens helemaal geen leven meer hebt,
waar alles ophoudt en er van je helemaal niets overblijft,
waar de macht van de duivel zo sterk is, nog sterker dan op aarde,
omdat je hier helemaal niet uit weg kunt.
Daarin nedergedaald, in zo’n diepte die voor ons niet te peilen is.
Hij had aangekondigd dat Hij zou opstaan uit de dood,
maar als Hij daar aan het kruis door God verlaten is,
moet Hij maar er op vertrouwen dat er voor Hem een weg terug is uit het graf,
uit de gevangenis, waar geen enkele mens ooit uit teruggekomen is.
In de afgelopen week heb ik daar weer iets van gezien, van die gevangenis
waaruit geen mens terug kan komen.
Een van de kleinkinderen zag in de zaal waarin mijn schoonvader opgebaard stond
een AED hangen en vroeg of die niet gebruikt kon worden
om mijn schoonvader weer uit de kist te laten opstaan.
Het snijdt door je heen, omdat je weet dat dat niet kan.

En dan met die werkelijkheid vertellen dat de dood niet het laatste woord heeft.
Dat gaat mij niet makkelijk af.
Dat kan ik helemaal niet.
Mijn geloof is maar heel zwak en kwetsbaar
en het geloof dat de dood is overwonnen
is juist aan het graf zo’n belangrijk geloof dat de moed geeft om verder te gaan,
maar nergens zo aangevochten als op het moment
dat je iemand laat neerdalen in het graf
en je weet dat je daar iemand voorgoed moet achterlaten.
Maar u moet het ook niet hebben van mijn geloof,
maar van wat Christus zegt, tegen Johannes en ook tegen u als gemeente vandaag:
Ik ben dood geweest – geweest.
Wel in die huiveringwekkende afgrond, maar tegelijkertijd niet gebleven.
Het wonder van Gods macht –
Gods macht over de dood die we vandaag mogen vieren.
Ik weet niet hoe dat u of jou vergaat,
maar er zijn momenten waarop ik me dat moeilijk kan voorstellen.
Daarom raakte me het wat de Heere Jezus ook verder tegen Johannes zegt:
en zie – Ik ben levend tot in alle eeuwigheid.
Vooral omdat het woorden van de Heere Jezus zelf zijn
die Hij tegen Johannes en ook tegen mij – en tegen u en jou zegt.
Ik was dood, ik was daar in het rijk van de dood, ervarend welke macht de dood heeft,
Ik was daar gevangen en geboeid in die kerker,
maar zie – Ik ben levend!
Een groter contrast is er niet denkbaar: in de dood geweest en nu levend,
de dood wel meedragend als herinnering, verschrikkelijk gebeuren,
maar toch niet het einde.
En er zal ook geen einde meer aan Mij komen: levend tot in alle eeuwigheid.
Na die Paasmorgen heeft de dood geen vat meer op Mij gehad,
zegt de Heere Jezus, maar ook niet op het moment als Johannes op Patmos is
en Johannes weet dat op het vasteland waar de gemeenten zijn
de dood wel een bedreiging is, omdat de christenen worden vervolgd.
Ook nu jij, Johannes, verbannen bent en de macht van de dood voelt
en ziet toeslaan in de gemeenten.
Maar ook nu, gemeente, vandaag,
als we de berichten horen, uit Syrië, uit Irak, uit Kenia,
waarin de dood er voor christenen is,
en ook vandaag als we weten, hoezeer de dood een einde is,
Ik ben levend tot in alle eeuwigheid.
Nooit meer zal de dood een vat op Mij krijgen,
maar ook niet op degenen die bij Mij horen.
Ze gaan wel door de dood heen en dat zal voor velen een moeilijke weg zijn
van veel strijd, om het leven los te laten, om te weten of je voor God kunt verschijnen,
om je dierbaren achter te laten,
om te vertrouwen dat Christus daar werkelijk zal zijn in de dood om ons erdoor heen te geleiden.

En zie! zegt Christus.
Het is te zien, zegt Hij, dat Ik de levende ben, en dat Ik levend ben tot in eeuwigheid.
Doe je ogen open, zegt Christus.
Nee, het is niet zomaar in deze werkelijkheid te zien.
En het is ook niet zomaar voor ons mensen te geloven.
Het is niet te zien, omdat wij het als mensen zo graag willen,
de geliefden die we hier moesten loslaten weer terugzien.
Het is niet te zien, omdat wij er als mensen niet tegen kunnen hoe de dood huishoudt.
Het is te zien, omdat Christus het tegen ons zegt.
Toen tegen Johannes en nu ook tegen ons: en zie!
Het is waar, niet omdat ik als mens dat tegen u zeg,
maar omdat onze Heer het tegen u, tegen jou zegt,
die zelf daar was, in het rijk van de dood,
maar zie, nu: wat een verschil,
met de sleutels van het rijk van de dood en met de dood in Zijn hand
als een teken dat de dood niet meer Hem in zijn macht heeft,
maar Hij, onze Heer de macht in handen heeft
ook over de dood en kan bepalen wie er uit de dood zal opstaan in een nieuw leven.
In dat nieuwe leven, zo mogen we zien in het einde van het boek,
zal er geen dood meer zijn.
In die nieuwe stad die uit de hemel neerdaalt, zal er alleen leven zijn,
omdat God een God van het leven is, de levende God.
Die levende God, zegt Jezus, dat ben Ik.
Ik ben wel in de dood geweest, een radicale breuk,
maar nu tot in alle eeuwigheid ben Ik levend
en schenk Ik aan u het leven.

Nu begraven we nog, maar dan zal er geen dood meer zijn.
Nu hebben we nog verdriet en doet het ontzaglijk pijn,
maar dan zal er een nieuwe wereld zijn,
waarbij God ons zelf troost en de tranen afwist en we bij Hem mogen zijn.
Wij laten los, wij laten achter,
voor altijd, zou je denken.
Maar toch niet tot in eeuwigheid,
want er komt een dag, dat Christus terugkomt
om niet alleen de sleutels van het dodenrijk te laten zien,
maar ook te gebruiken
om alle graven te openen en aan degenen die gevangen zaten in de boeien van de dood
een nieuw leven te geven.
Enkele maanden voor het overlijden van mijn schoonvader
liepen we over de begraafplaats,
maar we wisten toen nog niet dat hij daar zo snel begraven zou worden.
We waren er met onze kinderen om het graf van mijn schoonmoeder te laten zien,
die 13 jaar geleden stierf.
We stonden daar een tijdje bij het graf te kijken, de kinderen zagen de steen
en daarop de naam, de data van geboorte en overlijden en de Bijbeltekst.
Terwijl we terugliepen vroeg een van onze kinderen:
‘Hoe moet dat nu als de Heere Jezus terugkomt?
Hoe gaat het graf dan open? Want er ligt toch een steen op?’
Gelijk kwam het antwoord erachter aan:
‘Dat zullen de engelen wel doen, die zullen de steen wel weghalen,
zodat oma uit het graf kan opstaan.’

Zoals de engelen de steen wegrolden bij het graf van de Heere Jezus.
Het hielp mij in de afgelopen dagen,
alsof de Heere Jezus zelf tegen mij zei: en zie! Ik ben levend tot in alle eeuwigheid.
Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s