Preek biddag 2015 avonddienst

Preek biddag 2015 avonddienst
Markus 11: 12-26
Tekst: vers 23

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Een gebed kan bergen verplaatsen naar de zee, zegt de Heere Jezus.
De praktijk van ons bidden is vermoedelijk heel anders:
We verplaatsen geen bergen naar de zee,
maar zien tijdens ons bidden eerder een berg opdoemen,
waar we onszelf tegen op moeten sjorren
om met onze gebeden bij God aan te kunnen komen.
Of een berg die op ons pad voor ons opdoemt,
waardoor we het gevoel hebben dat we niet verder kunnen.
En dan zegt de Heere Jezus dat ons gebed bergen kan verzetten naar de zee.
Weet Hij dan niet dat ons gebed vaak maar arm en pover is,
eerder doortrokken van twijfel en vol misschiens.
Misschien kan God ons helpen. Misschien heeft bidden zin.
Misschien hoort God ons toch.
En dan zegt de Heere Jezus: Als je tegen een berg zegt,
“Kom van je plaats af en stort je in zee” dan zal het gebeuren
als je in je hart geen twijfel kent.
Wie wel eens in de bergen is geweest, in de Alpen of in andere landen,
raakt onder de indruk van bergen. Dat kan niet anders.
Zo groots en indrukwekkend.
Een berg krijg je niet van z’n plek.
Ook in de Bijbel is de berg beeld van vastigheid.
Alles kan veranderen: koninkrijken kunnen opkomen maar ook weer verdwijnen,
maar een berg verandert niet snel van zijn plek.
Met ons gebed krijgen wij geen Mont Blanc of Matterhorn van zijn plek.
Zelfs de Knoebel hier in de buurt, krijgen wij door ons gebed niet van zijn plaats.
Is dat dan een verwijt in de richting van ons gebed,
dat we toch te zwak bidden, te weinig vanuit geloof?
Of begrijpen wij de woorden van de Heere Jezus verkeerd?

Als u tegen deze berg zegt – het is een indrukwekkend beeld
en een ongelooflijke opdracht: het verplaatsen van iets dan niet-verplaatsbaar is.
Het is goed om onszelf eraan te herinneren
dat de Heere Jezus zelf geen enkele berg verplaatst heeft.
In Zijn leven heeft Hij heel wat heuvels en bergen beklommen,
in Galilea en de bergen waarop Jeruzalem is gebouwd.
Zelfs van de heuvel Golgotha heeft Jezus niet gezegd
dat de berg vernietigd moest worden in de zee.
Bij deze opdracht om te bidden op een bepaalde manier bedoelde de Heere Jezus niet
dat we dit gebed bij elke, willekeurige berg zouden bidden,
maar voor deze berg: de bergen om Jeruzalem,
de berg Sion waar de tempel op gebouwd is en de Olijfberg.
Uit het gedeelte dat we hebben gelezen, is het wellicht niet direct op te maken,
maar het gaat in deze opdracht om te bidden dat een berg verzet wordt naar de zee
om een belangrijk moment in de geschiedenis van het volk Israël,
namelijk de tijd dat de beloofde Messias komt tot Zijn eigen volk,
de door God gezonden Messias de stad Jeruzalem binnentreedt
en het door de profeten en door de Heere Jezus aangekondigde Koninkrijk van God gekomen is
Het gaat erom, dat ons bidden in het teken staat van de wederkomst van de Heere Jezus.
Ik zal dat uitleggen.
Als de Heere Jezus naar Jeruzalem komt,
zijn de profetieën uit het Oude Testament uitgekomen,
namelijk de profetie dat in de eindtijd de Messias naar Jeruzalem komt.
Er zal een weg voor de Messias worden gebaand,
waarbij de kuilen en gaten in de weg worden opgevuld
en de heuvels en bergen geëffend worden.
Tegen Zijn discipelen zegt de Heere Jezus: Als je zegt dat de berg van zijn plaats moet komen,
dan zal dat gebeuren als je vol geloof daarom bidt.
Alle obstakels voor de Messias om naar Jeruzalem zullen worden opgeruimd
en het gebed van de discipelen kan daarbij helpen.
Als zij bidden dat de bergen verplaatst worden, zal er een weg voor de Messias zijn
zonder belemmeringen, zonder oponthoud of omwegen.
Het gebed om bergen te verplaatsen is geen magische toverspreuk
om allerlei aparte tovertrucjes uit te halen,
maar een gebed om het komen van Gods koninkrijk,
een gebed over er een weg mag komen om de stad Jeruzalem te kunnen betreden.

Jezus zegt ook: als je bidt dat deze berg verplaatst zal worden.
Als Jezus met Zijn discipelen op de Olijfberg lopen,
gaat er met dat gebed om de berg te verplaatsen
ook een profetie in vervulling, uit het laatste hoofdstuk van de profeet Zacharia:
op de laatste dag zal de Olijfberg splijten, zodat er een vluchtweg ontstaat
om aan het oordeel van God te kunnen ontkomen.
Want de komst van de Messias is aan de ene kant goed nieuws voor het volk,
een teken dat God zelf weer terug komt in de Stad Gods.
Maar ook een dag vol huiver, want dan is het moment van het oordeel aangebroken.
De mensen zouden willen vluchten voor dat oordeel
door de kloof die is ontstaan in de Olijfberg.

We moeten het gedeelte nog eens opnieuw lezen vanuit het gezichtspunt
dat Jezus als de Messias de stad Jeruzalem binnenkomt.
Allereerst rijdend op een ezel, we hebben het niet gelezen, maar het komt ervoor.
Wat we gelezen hebben, is dat de Heere Jezus opnieuw de stad binnenkomt,
de dag nadat Hij Jeruzalem op de ezel was binnengekomen,
dus de dag nadat Jezus als Messias de stad binnenreed.
Voor ons betekent dat, dat de eindtijd is aangebroken,
begonnen met de komst van Jezus in Jeruzalem, de Messias in de stad van God,
verder gegaan met het kruis en de opstanding,
uitziende naar de dag waarop de Heere Jezus weer terugkomt.
De eindtijd is aangebroken, de tijd van de Messias.
De Messias is in Zijn stad Jeruzalem.
Over die tijd, de tijd van de Messias, de Messiaanse tijd werd er gezegd
dat alle bomen het hele jaar door vrucht zullen dragen.
Vandaar wordt ook duidelijk waarom de Heere Jezus ervan uitgaat
dat de vijgenboom vrucht zal dragen.
Want in de tijd voordat het Pascha is, heeft de vijgenboom normaal gesproken
alleen onrijpe vruchten, vijgen in de knop.
Als Jezus in de boom kijkt, ziet Hij geen enkele vrucht, zelfs niet het begin van een vrucht.
Jezus ziet in de boom zonder vrucht het Israël van Zijn eigen tijd,
een volk zonder vrucht omdat het niet wil geloven in de Messias,
een boom met alleen het blad waarbij de vrucht van het geloof ontbreekt.
Dan zegt Jezus: er zal ook geen vrucht meer komen.
Jezus spreekt een oordeel uit over de boom:
niemand zal ooit nog iets aan deze boom hebben, vruchteloos en dood.
De volgende dag blijkt de boom ook helemaal dood te zijn, tot op de wortel.
Het ontbreken van de vrucht gaf het al aan
en nu is het voor iedereen duidelijk: al het leven is er uit. Dood.

Het is niet zomaar een spreuk over een willekeurige boom.
De vijgenboom staat voor het Israël van Jezus’ tijd.
Dat wordt zichtbaar als Markus daaraan het gebeuren in de tempel verbindt.
De tempel is de plaats waar het volk naar God toe kan gaan voor gebed.
De tempel is gebouwd op een berg,
omdat men geloofde dat deze berg de verbinding met de hemel is:
Ik hef mijn ogen op naar de bergen, omdat daar op de berg
er een toegang tot God is,
God daar troont en Zijn heiligdom heeft,
daar op de berg Sion kan ik naar de Heere toegaan met mijn gebeden.
Dan laat Jezus zien
dat over de tempel de schaduw valt van de dode boom,
de boom zonder vrucht, de vijgenboom die ook geen vrucht meer zal dragen.
Die boom dat is de tempel.
Dat is nogal wat: want de tempel is de plaats waar God is, waar Hij woont.
Waar er verzoening te vinden is voor de schuld,
waar gebeden kan worden tot God en God ontmoet kan worden.
En toch: hoe heilig ook, een plaats zonder vrucht.
Dat wordt ook zichtbaar als Jezus de tempel binnenkomt
en in grote woede ontsteekt.
Wat Hij ziet, is dat het gebed belemmerd wordt door wat er in de tempel gebeurt.
Voor het oog lijkt het een mooie oplossing wat er in de tempel gebeurt.
Degenen  die de tempel bezoeken, moeten een offer brengen
en als ze van ver komen, hebben ze dat niet zelf kunnen meenemen.
De mensen die de tempel betreden om te offeren
en de inwoners van Jeruzalem moeten geld betalen om de tempel in stand te kunnen houden.
Alleen het gebruikelijke geld dat men heeft is onrein en kan niet worden gegeven.
Dat geld moet ingewisseld voor geld dat zuiverder is
en wel voor de dienst van God gegeven kan worden.
Wat er alleen gebeurt, en daarom is Jezus daar zo boos, zo woedend over,
is dat het in de tempel gebeurt.
Uit de woorden die de Heere Jezus uitspreekt,
heeft men het vermoeden dat die hele markt zich afspeelt op het plein
waar de heidenen de tempel zouden kunnen bezoeken.
Heidenen die als de Messias zou komen ook naar de tempel zouden komen,
omdat ze gehoord hadden over de God van Israël
en in de verhalen die zij hoorden over de God van Israël was er iets gebeurd,
was er geloof gewekt
en zij zouden naar Jeruzalem komen om daar God te aanbidden.
Uitgerekend op de plek waar de heidenen toegang hadden tot de tempel
werd de markt gehouden
zodat de Joden een reine, zuivere eredienst konden houden.
Zij konden zonder gewetenswroeging, zonder beperking de tempeldienst bijwonen.
De heidenen moesten maar op een afstandje staan kijken.
Dat is wat Jezus zo woedend maakt.
Opnieuw een voorbeeld van hoe het dienen van God boven alles gaat,
Gods heiligheid werd hooggehouden, maar waarbij het ten koste ging van anderen.
De ruimte voor heidenen om tot God te gaan werden ingeperkt.
Wellicht onbedoeld, maar toch heeft het een inperking voor een ander.
Als ik God maar kan dienen op mijn manier, als ik maar met waarde gelaten kan worden.
Daarom komt Jezus in actie, om ruimte te maken voor gebed.
De tempel dient een huis van gebed te zijn, niet alleen voor de Joden, maar voor allemaal
voor iedereen op deze aarde die de God van Israël zoekt in gebed.
Gebed is nooit een solistische actie, waarbij het alleen maar om mijzelf en God gaat.
Gebed gebeurt altijd vanuit een gemeenschap, een gemeenschap van bidders
omdat al die bidders door God geschapen zijn
en het contact met God mogen en moeten zoeken.
Waar Jezus steeds mee overhoop ligt, is dat er alleen maar voor die ene lijn gekozen wordt:
de lijn tussen God en mij, tussen Gods volk en God,
waarbij alle anderen worden uitgesloten en geen ruimte krijgen hun gebed te bidden.
De Messias komt om opruiming te houden, een grote schoonmaak,
zodat er ruimte komt voor gebed, voor Israël en voor de heidenen.
Want je kunt wel proberen zelf zuiver te zijn in je gebed
maar als dat ten koste gaat van de band die de ander heeft met God gaat er toch iets mis.

Dan komen ze weer opnieuw langs de boom.
Nadat Jezus Zijn woede heeft laten zien in de tempel
en iedereen uit de tempel heeft gejaagd, van de verkopers tot de kopers toe.
Petrus weet zich nog te herinneren wat Jezus over die boom zei.
En misschien begint het bij Petrus te dagen: wacht, zou Jezus met die vijgenboom
Israël bedoelen of de tempel?
Kijk, meester, wat er met de boom is gebeurd.

Het antwoord van Jezus is verrassend:
geen oordeel over de tempel.
Geen bevestiging dat de tijd van de tempel voorbij is
en de dienst in de tempel vruchteloos en dood tot in de wortel.
Geloof, zegt Jezus.
Dat staat in één lijn met wat de Heere Jezus zegt
als de rijke jongeling weer weggaat omdat hij het niet kan opbrengen:
Wat voor God onmogelijk is, is mogelijk voor God.
Geloof! Schrijf het niet zomaar af.
Geloof dat God Zijn weg gaat
en dat die weg die God gaat, ervoor zorgt dat het koninkrijk van God komt.
Geloof dat elk gebed dat je bidt daarmee te maken heeft
met de komst van het Koninkrijk van God.
Niet dat wij dat koninkrijk dichterbij brengen.
Dat kwam Jezus brengen:
Het koninkrijk van God is nabijgekomen, bekeer u en geloof het evangelie.
Het waren de eerste woorden die Jezus uitsprak,
het begin van Zijn verkondiging,
de verkondiging die ook betekenis heeft voor ons gebed.
Ons gebed staat in het teken van Gods koninkrijk
en daarmee in het teken van de wederkomst.
Als wij bidden voor om eten, voor ons werk
bidden wij niet of wij een goed leven op aarde mogen hebben,
want het gaat niet alleen om het leven op aarde.
Maar dat leven op aarde heeft wel betekenis voor Gods koninkrijk
en daarom bidden wij om eten, bidden wij voor ons werk en voor alles wat wij doen.
Wij bidden om Gods koninkrijk en geloven dat God dat zal brengen
en dat alle belemmeringen uit de weg genomen worden.
en wij geloven dat ook ons dagelijks werk van betekenis is voor het koninkrijk van God.
Niet van het koninkrijk van God op aarde als een verlengstukje van ons bestaan nu,
maar van het koninkrijk van God dat Hij brengt,
dat begonnen is toen Jezus Jeruzalem binnenkwam, dat zichtbaar werd
toen Jezus stierf aan het kruis
en dat volledig zal zijn als Christus terugkomt op de jongste dag.
Wie bidt vanuit het geloof dat dat koninkrijk komt,
zal verhoring vinden.
We bidden dus niet om materiële welvaart als zodanig, los van Gods koninkrijk,
maar wij bidden dat God ons brood geeft,
omdat we weten dat wij van God afhankelijk zijn,
omdat we weten dat we het moeten hebben van wat God geeft
en dat ook ons werk door God gegeven wordt.
Wanneer we zo werken, is ons werk een onderdeel van het koninkrijk van God
omdat het ons afhankelijk maakt van God
en niet van ons salaris, van de waardering die wij er van krijgen hier op aarde
en zijn we dankbaar, omdat het God het is die het ons geeft.
Geef ons heden ons dagelijks brood – omdat we ook bidden: Uw koninkrijk kome.
Als je daarom bidt, als moet daarvoor een berg wijken
en verplaatst worden naar de zee omdat het anders een belemmering is
voor de komst van Gods koninkrijk en voor de Wederkomst,
dan zal God die belemmering weghalen.
Gods koninkrijk komt. Door niets en niemand tegengehouden
en ons gebed gebruikt God om zijn koninkrijk dichterbij te brengen.
Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s