Het huis op de rots gebouwd

het huis op de rots gebouwd.
Preekvoorbereiding bij Mattheüs 7:24-27

Komende zondag is het in de Hervormde Gemeente Oldebroek evangelisatiezondag. Dat houdt in dat de morgendienst is ‘laagdrempeliger’ is en de dienst is afgestemd op degenen die niet of niet zo vaak in een kerkdienst komen. De middagdienst is afgestemd op de gemeenteleden om hen toe te rusten om het evangelie uit te dragen.

De evangelisatiecommissie heeft voor deze zondag het thema bedacht: Waar bouwt u / jij op? Gekozen is voor de Schriftlezing uit Mattheüs 7:24-27:

Daarom, ieder die deze woorden van Mij hoort en ze doet, die zal Ik vergelijken met een verstandig man, die zijn huis op de rots gebouwd heeft;
en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis, maar het stortte niet in, want het was op de rots gefundeerd.
En ieder die deze woorden van Mij hoort en ze niet doet, zal met een dwaze man vergeleken worden, die zijn huis op zand gebouwd heeft;
en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis, en het stortte in en zijn val was groot.

Hierbij enkele gedachten bij de preekvoorbereiding:

Thema
Het thema is Waar bouwt u / jij op? Voor iemand die geregeld naar de kerk gaat, is dit geen vreemde vraag. In de preek zal deze vraag vaak worden gesteld. Al is het niet eenvoudig om een antwoord onder woorden te brengen, hij of zij heeft wel een richting: God of Christus.
Zal iemand die niet zo vaak in de kerk komt, wel nadenken over deze vraag? Ik ben daar nog niet zeker van. De meesten van hen leiden misschien een ‘gewoon’ leventje, zonder zich allerlei diepgaande existentiële vragen te stellen.

Dat betekent dat in de verkondiging op een eenvoudige manier uitgelegd moet wat deze vraag betekent en waarom deze vraag van betekenis is.

Bouwen
De exegese levert ook enkele vragen op. Want in Mattheüs 7:24-27 krijgt ‘ergens op bouwen’ een ander antwoord dan in eerste instantie verwacht zou worden. Een logisch antwoord zou zijn: je hoort op God, op Christus te bouwen.
(a) In Mattheüs 7:24-27 is het Jezus er om te doen, dat degenen die Zijn woorden horen deze woorden ook in praktijk brengen. Wie de woorden niet in praktijk brengt, heeft Zijn woorden niet echt gehoord.

De vraag is hoe in de verkondiging uitgelegd kan worden dat Jezus het beeld ‘ergens op bouwen’ gebruikt om aan te sporen om ook te handelen naar Jezus woorden.

Oordeel
(b) Tijdens de exegese ontdekte ik, dat de woorden die Jezus spreekt staan in het kader van het laatste oordeel. De stormen en de waterstromen die op het huis afkomen zijn beeldspraak van het laatste oordeel. Op de achtergrond staan een gedeelte uit Ezechiël 13:11-14:

Zeg tegen hen die met kalk bepleisteren, dat hij omvallen zal. Er komt een alles wegspoelende regen en u, hagelstenen, u zult neervallen en er zal een stormwind losbarsten. Zie, als de muur omvalt, zal dan tegen u niet gezegd worden: Waar is de pleisterlaag die u aangebracht hebt? Daarom, zo zegt de Heere HEERE: In Mijn grimmigheid zal Ik een stormwind doen losbarsten, in Mijn toorn zal er een alles wegspoelende regen komen, en hagelstenen in grimmigheid, tot een vernietigend einde. Zo zal Ik de muur omverhalen die u met kalk bepleisterd hebt en Ik zal hem op de aarde neer doen storten, zodat zijn fundament blootgelegd wordt. Zo zal de stad vallen, en u zult in het midden ervan omkomen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.

Daarmee wordt de vraag Waar bouwt u / jij op? meer dan een existentiële vraag. Het is een vraag, die de kerkganger eraan herinnert: eens komen we in het oordeel van God. Hoe zal Hij over ons leven oordelen?

Cathedrale_d'Amiens_-_tympan_central_-_Christ_du_Jugement_Dernier

Het specifieke van het evangelie van Mattheüs is dat Jezus als de komende Mensenzoon het oordeel op zich neemt: Mattheüs 25:31-46. In dat oordeel zal het gaan ook over onze daden gaan. Het gaat om meer dan geloof. Het gaat zelfs om meer dan macht over de demonen (7:21-23). Het gaat om de vraag: Hebben wij Jezus’ woorden in praktijk gebracht?
Daarmee krijgt dit gedeelte een ernst. Niet alleen voor degene die zo af en toe in de kerk komt. Ook voor degene die trouw de kerkdiensten bezoekt. Al gauw wordt, als het gaat over het laatste oordeel, gesproken over de genade en over Christus die ons oordeel op zich neemt. Hier is sprake van een eschatologische ernst: Het doet er toe hoe wij leven.

Laagdrempelig?
Kan in een laagdrempelige dienst wel over het oordeel gesproken worden? Schrikt dat de mensen niet af?
Ja, het moet zelfs, zegt Corinna Dahlgrün, omdat de Bijbel spreekt over oordeel, eeuwig leven, over hemel en hel. Predikanten zijn het daarom de mensen verschuldigd om daarover te spreken. In de oordeelsaankondigingen in de Bijbel gaat het allereerst om de kans die God geeft om tot inkeer toe komen. Dat is een door God gewilde mogelijkheid. De Bijbel laat echter ook zien, dat er een te laat is en dat de veroordeling (verdoemenis) in het oordeel een reële mogelijkheid is.
Daarnaast laat het laatste oordeel zien dat mensen verantwoordelijk zijn voor hun doen en laten. Niet aan mensen, maar aan God. God is als schepper en rechter de Ander, de Tegenover aan wie mensen verantwoording hebben af te leggen.

Lukt het mij om in de verkondiging het oordeel aan de orde te stellen als een (wezenlijk) onderdeel van het evangelie? Lukt het mij om over het laatste oordeel te preken als een boodschap die vreugde geeft?

Woord van God
Kan dat wel? Is deze boodschap niet te vreemd geworden en roept deze boodschap van het laatste oordeel niet teveel weerstand op?
Volgens Dahlgrün komt het aan op het geloof van de prediker. De prediker moet zijn eigen ongeloof en twijfel door de Bijbelse beelden ter discussie laten stellen. De prediker dient zich beschikbaar te stellen voor het Woord van God.
Dat de boodschap over het oordeel veel weerstand of onbegrip oproept, komt volgens Dahlgrün door meer een ‘tekortschietende praxis piëtatis’ dan als een probleem van authenticiteit. De beelden van het laatste oordeel worden vaak slechts cognitief doordacht en krijgen niet de kans in het hart of de existentie te raken. Als ik als prediker met deze teksten ga lezen, worden het mijn teksten en kan ik er ook vanuit deze geloofswerkelijkheid preken.

Schaar ik mijzelf ook onder het laatste oordeel of sluit ik mij op voorhand van het oordeel buiten? Hoe wordt het oordeel een geloofswerkelijkheid voor mij van waaruit ik leef (en verkondig)?

De Bijbel waar niet over gepreekt wordt
Tijdens de voorbereiding moet ik denken aan de Predigtlehre van Rudolf Bohren. Om twee redenen: (1) In zijn Predigtlehre heeft hij ook een hoofdstuk over de prediking over Christus als de komende rechter . Helpt zijn uiteenzetting mij met deze preek? (2) Bohren spreekt voortdurend over stukken uit de Bijbel die in de verkondiging niet aanbod komen: de Bijbel waarover niet gepreekt wordt. Deze gedeelten komen nooit aan de orde, omdat zij bij de prediker op verlegenheid stuiten. Ze passen niet in het wereldbeeld of het geloofssysteem van de prediker.

De toekomst van de Komende
Het probleem is volgens Bohren dat er te weinig rekening gehouden wordt met het gegeven dat Christus ook nog (weder)komt: degene die gekomen is, komt nog! De prediking rondom Goede Vrijdag en Pasen zijn zonder toekomst, omdat men alleen nog meer spreekt over Christus als de gekomene, maar de ‘toekomst van de Gekomene’(Walter Kreck) niet meer benoemt. Daarmee wordt over het hoofd gezien, aldus Bohren, dat het oordeel voor de christenen ook verscherpt wordt. Daarbij verwijst Bohren naar de Bergrede en naar de Hebreeënbrief.

Vreze des Heeren
Het besef van het komende oordeel geeft vrees (vreze des Heeren!). Deze vreze voor de Heere zorgt ervoor dat voor de mensen niet gevreesd hoeft te worden. Deze vreze geeft ook moed tot eenzijdigheid. Deze eenzijdigheid kan zelfs een kenmerk worden van een Godvrezende preek. Deze vreze des Heeren heeft ook een gevolg: een missionair élan (2 Kor. 5:11). Ontzag voor de komende Rechter kan alleen bestaan als Godvrezendheid. Niet het komende lot of oordeel is te vrezen, maar de komende Heere. ‘Zonder pure Godvrezendheid zijn wij overgeleverd aan onze eigen waanbeelden.’ De vreze des Heeren, de Godvrezendheid is een vrucht van het luisteren (naar God en Zijn Woord).

Revisor
In 1985-1986 geeft Bohren college over het gebed. Die collegereeks opent Bohren met een citaat van Nikolai V. Gogol (dat hij tegenkwam in een programmaboekje van een toneelopvoering in Heidelberg):

‘Bedenk toch dat de gehele wereld een ijdele leugen is en dat alles heel anders aan ons verschijnt dan het in werkelijkheid is (…) Ons leven is zwaar en dan vergeten we nog elk ogenblik dat al onze handelingen eens voor een Revisor komen die niemand voor zich kan inwinnen (of omkopen).’

Daaruit stelt Bohren dat ons bidden ‘revisionsbedürftig’ is.
Met het oog op de prediking kunnen wij zeggen, dat alles in ons leven verlegen is om een revisie. Als alles wat wij doen verlegen is om een revisie, dan geeft dat de ernst van het oordeel aan: Hoe kunnen wij daaraan ontkomen?

Huis op de rots
Dan is het goed om vast te houden aan de belofte van Jezus: het huis dat op de rots gebouwd is, blijft overeind staan. Wie de woorden van Jezus hoort en doet en hier op aarde al rekening houdt met de revisie zal overeind staan als een huis dat op een goed fundament is gebouwd.
Het gaat Jezus dus om ons voor te bereiden op het komende oordeel en ervoor te zorgen dat we hier in het leven al daar rekening mee houden. Wie dwaas is, leeft alsof er nooit een oordeel komt. Voor wie de wijsheidsliteratuur uit het Oude Testament kent (Spreuken, Prediker) weet, dat de dwazen ook de goddelozen zijn, die zich geen rekenschap geven van God en Zijn oordeel. Zij leven hier alsof zij zonder God zijn.
Ook al vertonen hun daden de schijn van geloof, ze hebben geen geloof maar zijn slechts gericht op het leven in het hier en nu. Het komt dus aan op eerlijkheid en authenticiteit. Niet eens zozeer naar de mensen, maar allereerst naar God toe. Er kan een huis op het zand worden gebouwd: in het aardse leven lijkt het stevig en prima bewoonbaar. In het oordeel blijkt dat het slechts een schijnzekerheid geweest is.
Voor de gemeente komt het aan op de gave van de onderscheiding: want niet iedereen die de naam van de Heer in de mond neemt en in Zijn naam geweldige daden laat zien (als het uitwerpen van duivels) heeft het geloof en de levenspraktijk waar het op aankomt.

Confronterend
De verkondiging over het oordeel is confronterend. De meesten schuiven het liever voor zich uit en kiezen dan eerder de dwaze levensstijl door een huis op het zand te bouwen.
Op welke manier kan de preek dit confronterende element vasthouden waarbij de confrontatie de gemeenteleden bij Christus brengt en Zijn woorden laat doen?
Ik bedenk mij dat de nieuwtestamenticus Gerd Theiβen in 2003 (het Duitse Jaar van de Bijbel) een boek schreef om het lezen van de Bijbel te stimuleren. In dat boek houdt hij rekening met een maatschappij die steeds meer seculariseert en multireligieus wordt. In zijn boek wil Gerd Theiβen laten zien, dat de Bijbel goed in staat is om de dialoog aan te gaan met deze seculariserende en multireligieuzer wordende maatschappij.
Ik herinner mij dat hij verschillende motieven uit de Bijbel naar voren haalt en deze motieven in dialoog brengt met hedendaagse mensen, die gestempeld zijn door de secularisatie. Een van die motieven is het motief van het oordeel. Op welke wijze zou Gerd Theiβen dat aanpakken?
Bij het doorbladeren zie ik ook weer zijn eigen model en zie ik dat hij ook de kerygmatische aanpak niet onder stoelen of banken steekt: de Bijbel is een kans om in dialoog te komen met God. Het motief van het oordeel laat volgens Gerd Theiβen zien dat wij verantwoordelijk voor onze daden zijn en ook vaak de behoefte hebben om ons te verdedigen en te rechtvaardigen. Het motief van de
Net zo belangrijk aan het doorbladeren van het boek is dat hij mij (weer) op het spoor van Thomas Ruster brengt. Ruster schreef een kritisch boek over De inwisselbare God. Volgens hem is de levende God in de loop van de kerkgeschiedenis steeds ingewisseld voor allerlei menselijke constructies (afgoden). De Bijbel en de verkondiging gaan met ons de confrontatie aan om weer de levende God te zoeken en te kiezen.

Hoe wordt in de verkondiging de confrontatie op een goede manier aangegaan, zodat degenen die een huis vol schijnzekerheden op het zand hebben gebouwd ontdekken dat het anders moet.
Hoe wordt de confrontatie aangegaan, zodat de luisteraars beseffen dat zij bij Christus moeten zijn en Hem ook gehoorzamen?

Tegenover
Wordt die confrontatie uit de weg gegaan doordat men niet geloofd in God als een Persoon die aan ons rekenschap vraagt? Omdat men God als de Levende heeft ingewisseld voor een soort pantheïstische kracht? Die suggestie kwam ik tegen bij Gerd Hartmann. Hartmann liet zijn studenten rollenspellen doen, waarbij zij ook in de volmacht van Jezus de vergeving moesten aanzeggen. Hij vertelt dat zijn studenten dat niet kunnen. Zij blokkeren of wijken uit als zij dit in een rollenspel moeten uitvoeren. Een de redenen voor dit uitwijken is volgens hem dat zijn studenten onzeker zijn over de aanwezigheid van God als een Tegenover.

Betekent dit voor de verkondiging ook dat meer het besef overgedragen moet worden dat God een levende werkelijkheid is en dat Hij geen macht is, maar een tegenover die als Schepper en Rechter ons rekenschap zal vragen van wat wij gedaan hebben?

De preekopbouw
Nu er heel veel voorwerk gedaan is, is de vraag: hoe komt de preek eruit te zien? Welke opbouw: Moet ik beginnen met de confrontatie of moet ik langzaam toe werken naar de confrontatie? In het laatste geval is het beter om te beginnen bij wat herkenbaar is of gemakkelijk is uit te leggen. Wanneer de confrontatie aangegaan wordt, moet ook direct duidelijk zijn wat er dan mis is.
En ook van groot belang: hoe zorg ik dat de preek begrijpelijk wordt en kerkgangers (zowel degenen die geregeld komen en degenen die af en toe komen) zich geroepen en genoodzaakt voelen om de weg van Christus te gaan?
Tot slot, de vraag die al eerder gesteld is: hoe wordt overgebracht dat het om evangelie (d.w.z. blijde boodschap over God) gaat?

Verwijzingen
– Corinna Dahlgrün, ‘Von Auferstehung und Gericht predigen’, in: Heinrich Bedford-Strohm (Hg.), “… und das Leben der zukünftigen Welt”. Von Aufersteung und Jüngstem Gericht (Neukirchen-Vluyn, 2007) 77-89.
– Rudolf Bohren, ‘Predigt des kommenden Richters’, in: Idem, Predigtlehre (1971) 251-265.
– Rudolf Bohren, Das Gebet I. EDITION BOHREN Bd 1 (Waltrop, 2003).
-Gerd Theiβen, Zur Bibel motivieren. Aufgaben, Inhalte und Methoden einer offenen Bibeldidaktik (Gütersloh, 2003).
– Gerd Hartmann, Lebensdeutung. Theologie für die Seelsorge (Göttingen, 1993) 113-116

5 thoughts on “Het huis op de rots gebouwd

  1. Het verhaal en de inhoud van de boodschap wordt weer vergeestelijkt, alles wordt weer betrokken op dat we niet deugen, terwijl Ezechiel bedoelt dat de maffia heerst en de sociale ongerechtigheid en dat heeft zeker toen z’n gevolgen gehad en werd ook toen vanuit de heidense en toemalie kennis/cultuur alles en geheel vertaald naar een direct besturende God
    u zou toch beter moeten weten. Zonde is dat we nu doelen missen en niet dat we later zullen branden in de hel, wat een heidendom. Maak de goede keuzes iedere dag in het leven dat is bouwen op de rots !!

    • Beste Jan,
      De uitleg die jij aan de gelijkenis geeft is een heel bekende, maar exegetisch niet steekhoudend.

      De link naar Ezechiël speelt in de exegese een rol: de schrijver van Mattheüs (of misschien Jezus zelf) heeft hier dit gedeelte uitEzechiël in het hoofd gehad. Ik heb het uit het commentaar van Ulrich Luz. Niet de minste op het gebied van de exegese van Mattheüs. In heel het evangelie van Mattheüs speelt het laatste oordeel een belangrijke rol.

      • Ik vind het van geen belang wat wie vindt wel weet ik dat ook theologen de bijbel laten buikspreken waarom anders al die verschillen. Zeker weet ik dat de bijbelse verhalen enkel en alleen van betekenis zijn voor het hier nu, wie zegt God te geloven voor straks en hier zijn naaste niet ziet is een grote leugenaar/zondaar !!

      • Wie zegt dat de verhalen uit de Bijbel alleen voor het hier en nu zijn, laat de Bijbel eveneens buikspreken.

        Niet alleen in Mattheus 7:24-27, maar in heel de Bijbel speelt het laatste oordeel een rol. Ook in het Oude Testament is de komst van de Heer op de oordeelsdag een rode draad die niet zomaar weggeknipt kan worden of vergeestelijkt kan worden in een betekenis voor het hier en nu.

  2. Fijn onderwerp is dat hé, om je levenshuis op God en zijn woord te bouwen. Dan leeft je voor Gods aangezicht en is het je er om te doen zijn woorden te bewaren (naar Zijn Geest te luisteen en zijn geboden te houden).
    Op die manier kom je in de vrijheid maakt het je niet uit wat mensen van je denken omdat je met Hem rekening houdt. Je veranderd van egoïstisch in iemand die het belang van anderen zoekt, dan zegen je diegene die jou vervloeken en helpen alle mogelijke situaties van het leven je dichter naar God te groeien doordat je je houdt een zijn woord. Als dan de stormen waaien over je leven heb je geen vragen van waarom en hoe maar weet je je veilig omdat Hij je rots is en je leven in Hem is.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s