Twee soorten kerken – twee manieren van Bijbel lezen

Twee soorten kerken – twee manieren van Bijbel lezen

Ik heb iets met Fulbert Steffensky. Al sta ik soms in theologisch opzicht redelijk ver van hem af, toch grijp ik steeds weer op zijn boeken terug. De reden daarvoor is dat hij zich steeds weer laat provoceren en tegenspreken door de Bijbel. En dat levert vaak teksten op die tot nadenken stemmen en ook uitdagen om mijzelf door de Bijbel te laten tegenspreken.

Hierbij een voorbeeld:

‘Wie is de kerk die de Bijbel leest? Misschien is het antwoord: de kerk is de gemeenschap die in Woord en sacrament verenigd zijn. Daarmee is nog niet veel gezegd. Men moet doorvragen: wie zijn die gelovigen? Wat verdienen zij en wie dienen zij? Welke interesses hebben zij? Wie zien zij en wie worden er door de kerk over het hoofd gezien? Dat bepaalt namelijk hoe deze kerk de Bijbel leest. Ik beschrijf twee kerken met beiden een andere manier van Bijbel lezen:

In Hamburg stonden twee kerken dicht bij elkaar. De ene, de Katharinenkirche, staat er nog steeds. Een mooie en rijke kerk. Deze kerk was omgeven door patriciërhuizen. Vandaag de dag de kerk er nog steeds uit als een schip dat niet ten onder kan gaan.
de andere kerk, de St. Anna, stond op een steenworp afstand, aan de andere kant van het Tolkanaal, is juist wel ondergegaan. Het was een onopvallende en kleine kerk. Alleen een straatnaam herinnert nog aan deze kerk: Bei St. Annen. Het was een Assepoester-kerk, omgeven door daglonerhuisjes. Zo’n 18.000 mensen woonden er op het kleine stukje om deze kerk heen. Dagloners, die zich elke dag weer opnieuw verhuurden. Een kleine stad, volgestouwd met mensen, honden, katten en ratten.
Twee kerken, gescheiden door een kwaadaardige kloof (garstige Graben) die niet de naam Tolkanaal draagt, maar armoede en rijkdom. Wat hebben deze twee kerken met elkaar te maken? Is deze tolkloof zo gemakkelijk te overbruggen als de kleine scheur tussen het katholicisme, het protestantisme, de orthodoxie en de andere dialecten van het christendom? Wordt in deze kerken dezelfde God aanbeden? Wordt daar dezelfde God toegezegd? Laten we niet te snel “Ja!” zeggen! God is niet een God aan beide zijden van deze kloof en steeds boven de partijen. Hij is een partijdige God, hij houdt van St. Anna, de kerk van de armen en de bedelaars. Laten wij beide kerken met elkaar in gesprek brengen.
Katharina kent de zin van de apostel Paulus uit de brief aan Efeze: Want hij is onze vrede, hij die met zijn dood de twee werelden één heeft gemaakt, de muur van vijandschap ertussen heeft afgebroken (Efeze 2:14). Ze zegt het tegen Anna: “Het zijn toch kleine dingen die ons scheiden? Het zijn slechts materiële zaken. God kijkt slechts naar het hart en niet uiterlijkheden, zoals tanden, geld en rijkdom.
Anna zucht. Zij zou zo graag een met Katharina zijn. Maar zij is poetsvrouw bij Katharina en krijgt zo weinig betaald. Haar man is vuilnisman, die het afval van Katharina ophaalt en verdient niet veel. Katharina is goed opgeleid en heeft haar woordje klaar. Anna had geen tijd en geld voor een opleiding. Anna leest de Bijbel iets langzamer. Zij begint niet met de verzoening en de vrede. Allereerst leest zij tot haar troost, dat God de armen liefheeft. Dat God een God van de rechtelozen is, van de mensen zonder land of bezit, van de gebondenen. Kan het zijn dat, zo vraagt zij zich af, dat het evangelie ons niet samenbindt? Dat het evangelie geen laffe vrede wil? Dat het evangelie de werkelijke confessionele kloof openbaar maakt: die tussen arm en rijk, tussen slachtoffers en daders, tussen diegenen die slagen toebrengen en degenen die de slagen ontvangen?
Anna zucht. Zij zou graag willen instemmen met Paulus’ hoge lied over de liefde, waarin hij tot vrede oproept en haar zegt dat de liefde zich niet laat verbitteren. Maar hoe kan zij niet verbitterd raken en niet zelfzuchtig zijn zoals de apostel vermaant, als zij geen brood voor haar kinderen heeft? Hoe kan zij niet zelfzuchtig zijn als zij haar huur niet meer kan betalen? Hoe kan zij niet verbitterd raken als zij in de krant leest dat men de sociaal-politieke uitwassen wil bezuinigen? Dat men afscheid moet nemen van de valse metafysica van de individuele gelijkheid? Dat het nu afgelopen moet zijn met de romantiek van de gerechtigheid? Anna fronst haar wenkbrauwen en vraagt zich af of het niet tot de vriendelijkheid tegenover haar eigen kinderen behoort om niet alles te verdragen, niet alles te geloven en niet alles te dulden. Zij vraagt zich af of bij de liefde en de toekomstige vrede niet de hedendaagse scepsis met betrekking tot de corrupte werelden behoort, de loochening van alle mooi geschminkte goden. Anna vraagt zich af of Paulus ook niet de provocatie, het ongeduld en de strijd als deugden had moeten noemen. En het gemis. Het gemis aan brood van de armen, het gemis van zonlicht dat de blinden hebben, het gemis aan taal van degenen die het zwijgen opgelegd zijn.
Geen jaloezie alsjeblieft! Zegt Katharina. Voor God zijn we tenslotte allemaal arm en ook degenen die welvarend zijn hebben hun zorgen. En voor God zijn we allemaal zondaars, als rijken en armen zijn we allereerst zondaars voor God. Voor God is iedereen gelijk: de reder en de werkloze, de poetsvrouw en de vorstin von Thurn und Taxis. Het gaat om innerlijke waarden: geduld, verdraagzaamheid, vriendelijkheid, oprecht geloof.
Anna verbaast zich over Katharina, die toch kan teruggrijpen op boeken, theologen en kerkenraadsleden, maar toch zo’n blasfemische taal kan uitslaan. Verwonderd vraagt zij zich af, waarom de kerktoren niet op Katharina’s hoofd valt.
Het lijkt wel of Anna en Katharina beiden een andere Bijbel hebben. In ieder geval lezen beiden de Bijbel op een andere manier. De kerk is niet overal hetzelfde. Niet overal wordt op dezelfde manier in de Bijbel gelezen.
Anna leest wat zij nodig heeft. Katharina leest in haar Bijbel wat dienstbaar is aan haar en wat niet dienstbaar is verzwijgt zij. Lezen in de Bijbel kan op die manier een ondernemen worden waarmee men wil legitimeren wat men al wist. Dat kan men vooral doen door te verzwijgen wie de eerste geadresseerden van de Bijbel waren: de armen en gebondenen, de weduwen en de wezen, de vluchtelingen en degenen zonder land en bezit. Er is een boek in het boek en dat is de goede boodschap, het evangelie voor de armen. Als de kerk de Bijbel leest, wordt zij niet alleen getroost en opgebouwd. Zij moet het aandurven om de Bijbel tegen zichzelf te lezen. Zij moet het wagen om zich te laten verwikkelen in tegenspraak.’

Uit: Fulbert Steffensky, Der Schatz im Acker. Gespräche mit der Bibel (Stuttgart: Radius Verlag, 20112) p. 17-20