Preek van zondag 9 oktober 2011 (Kinderdienst)

Preek van zondag 9 oktober 2011 (Kinderdienst)
N.a.v. 1 Petrus 4:10

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

De kerk is net als een lichaam. Alle mensen van de kerk horen bij dat lichaam. En dan niet alleen de mensen die hier in de kerk zitten, maar ook de mensen die hier niet bij zijn. Bijvoorbeeld de oudere mensen, die te oud zijn om naar de kerk te gaan. Of degenen die ziek zijn en niet meer naar de kerk toe kunnen gaan. Met zijn allen zijn we één lichaam. Wat een lichaam is, dat weten jullie. Een lichaam heeft twee armen, twee benen, een hoofd, een nek, twee ogen. Noem maar op. Iedereen van ons is een onderdeel van dat lichaam dat de kerk is. De een is een voet, de ander een been, een knie. Ga zo maar door. Weet je wat er nou zal gebeuren als iedereen van ons hier in de kerk zelf mag aanwijzen wat hij is? De een zal zeggen: ‘Ik ben een voet. Ik ben heel belangrijk. Het is maar goed dat ik veel voor de kerk doe. Als ik er niet was, dan stortte de hele kerk in. Het is maar goed dat wij veel voor de kerk organiseren.’ En misschien denkt hij er wel achteraan: Ze moesten eens zien wat ik allemaal voor de kerk doe. Er zijn veel mensen die lang niet zo veel doe als ik. Maar er zullen ook mensen zijn, die denken: ‘Ik ben helemaal niet belangrijk. Hoor ik echt bij dat lichaam? Dan ben ik iets dat je nooit ziet. Of iets dat nooit opvalt.’ Wat is iets wat je nooit ziet of wat nooit opvalt? Er zijn ook delen van in je lichaam die je nooit ziet of voelt. Die voel je alleen als je er pijn in hebt: bijvoorbeeld een blinde darm. Dat zijn mensen die denken: andere mensen in de kerk moeten maar niet merken dat ik er ben. Anders hebben zij alleen maar last van mij. Dat zijn mensen die het liefst wegkruipen. Bijvoorbeeld in de peerdenstal of achter de pilaar (als we die zouden hebben). En ze kijken op tegen de mensen die voor in de kerk zitten als ouderling of diaken. Zo belangrijk als zij zijn, kunnen wij nooit zijn. Stel je voor dat wij mensen hier in de kerk zelf zouden moeten bedenken welk deel wij van dat lichaam zijn. De een zou zich heel belangrijk vinden en wellicht ruzie erover maken: ‘Ik wil de baas zijn, want ik ben belangrijk.’ De ander zou denken: ‘Eigenlijk doe ik helemaal niet mee. Ik ben helemaal niet belangrijk.’ Wij bedenken ook niet welk onderdeel wij van dat lichaam zijn. Anders gaat de een de baas spelen en de ander denkt: ik mag niet meedoen. Wij bedenken niet of wij een oor, een oog, een voet of een hand. Een oor is heel belangrijk voor het lichaam. Want zonder oren zouden wij niet kunnen horen. En stel je voor dat wij niet zouden horen. Dan moeten we best veel missen: Muziek, de verhalen die iemand vertelt over zichzelf. Stel je voor dat de kerk een lichaam is, waar geen oor aan zit. Mensen die doof zijn vinden dat heel vervelend. Als ze bij een verjaardag zitten, moeten ze steeds vragen: Waar gaat het over? Wat zijn ze aan het vertellen. Je mist alle verhalen die worden verteld. Je wordt overgeslagen. Als we als kerk niet iemand zou hebben die kan luisteren zoals het oor dat kan, zijn we doof voor wat de Here God tegen ons zou zeggen. Maar dan kunnen we ook niet de verhalen horen die mensen tegen ons vertellen. En iedereen kan wel een verhaal vertellen. Dat zul je op school ook wel meemaken. Ik weet niet of je wel eens klassengesprek. Dat kan bijvoorbeeld op maandagmorgen, als de meester of juffrouw vraagt: “Wat heb je gedaan in het weekend?” Ik denk dat je dan best zou willen vertellen wat je gedaan hebt. Zeker als je iets beleefd hebt. Heel veel mensen vinden het fijn om tegen anderen te vertellen wat zij hebben meegemaakt of willen graag vertellen waar ze aan denken. Straks worden er namen genoemd van mensen die in het ziekenhuis liggen of naar het ziekenhuis toe moeten. Dat kan heel spannend zijn. Een ziekenhuis is een groot gebouw, waar je de weg vaak niet weet. Je moet goed kijken hoe je moet lopen in dat gebouw. J moet naar de dokter en je denkt bij jezelf: Wat zal de dokter zeggen? Ben ik weer gezond? Of ben ik nog steeds ziek? Ben ik nog zieker geworden? Moet ik geopereerd worden? Moet ik weer de medicijnen gebruiken waar ik zo misselijk van werd? Met een oor kunnen we luisteren. Maar wie is het oor van onze kerk? Wie luistert er naar wat iemand graag wil vertellen? Als ik aan hier in de kerk zou vragen: Wie wil het oor zijn, zouden er mensen zijn die dat best willen doen. Een van de ouderlingen zou dat oor misschien wel willen zijn. We hebben de ouderlingen ten slotte gekozen om bij gezinnen op bezoek te gaan en te horen wat er aan de hand is. Maar wij kiezen niet uit welk deel wij van het lichaam zijn. Waarom niet? Omdat we óf de baas willen spelen óf we denken: dat kunnen wij toch niet. In het verhaal dat we gehoord hebben, waren de Nerflanders blij met de cadeau’s die ze kregen. Maar als het gaat om wat wij voor de kerk kunnen betekenen, zullen heel veel mensen zeggen van de gaven die ze van de Here Jezus hebben gekregen: maar dat kan ik helemaal niet. Het gaat om wat de Here Jezus aan ons geeft. Iemand die van zichzelf zegt: ik kan goed luisteren, hoeft in de kerk nog niet het oor te zijn. Iemand die van zichzelf denkt: ik kan goed de baas spelen, is in de kerk nog niet het hoofd van het lichaam dat tegen iedereen zegt wat er moet gebeuren. De Here Jezus is de baas, het hoofd van het lichaam. We horen niet alleen maar bij elkaar, maar ook bij de Here Jezus. Voor heel veel mensen zijn we een gek lichaam, een lichaam waarvan het hoofd niet zichtbaar is, want Hij is in de hemel. Hij is in de hemel en toch zijn we met hem verbonden. Net zoals ons arm kan luisteren naar ons hoofd, en onze voet kan luisteren naar ons hoofd. Onze voet en arm zijn niet los van het lichaam. Zo zijn we als kerk niet los van de Here Jezus. Ons lichaam hoort helemaal bij elkaar. Het zijn allemaal wel verschillende delen, maar ons lichaam kan niet zonder voet en zonder hand, zonder hoofd. Stel je voor dat je op school zit in je bank en je voet gaat opeens luisteren naar het hoofd van je buurman. Dat zou heel gek zijn. Zo is het ook heel raar als wij in de kerk niet luisteren naar de Here Jezus. We horen bij Hem. Van het lichaam is Hij het hoofd. Het gaat erom dat iedereen in de kerk op de Here Jezus gaat lijken. Hij woonde eerst in de hemel bij God. Hij was God. Zo mooi en zo heerlijk als God was, was de Here Jezus ook. Machtiger en sterker dan welke koning ook. Maar Hij zei: Alles wat mooi is, alle pracht en praal, dat doe ik aan de kant. Ik woon in de hemel waar alles mooi en schitterend is, maar de mensen op aarde hebben mij nodig. Hij werd een arm kindje dat bijna niets had. Hij werd in een kribbe gelegd. Hij had geen huis om in te wonen. Hij moest sterven aan het kruis. Terwijl Hij in de mooie en schitterende hemel had kunnen blijven. Toch kwam Hij naar de aarde. Voor ons. De Here Jezus kwam om ons te dienen. Wij hadden er niet om gevraagd dat Hij naar de aarde zou komen. En toch kwam Hij naar ons toe. Toen ik een jaar of tien was, kwam het nog al eens voor dat ik ruzie had. Met mijn broers die ouder waren dan ik. Ik kon slecht tegen mijn verlies bij spelletjes. Of ik maakte ruzie met mijn ouders. Het gebeurde geregeld dat ik boos naar boven liep, naar mijn kamer. Ik kroop daar weg onder mijn bed. Boos op alles en iedereen. Ik wilde niet meer naar beneden. Ik ging ook nooit zelf naar beneden. Ik ging alleen naar beneden als mijn vader naar boven kwam, naar mijn kamer, zich bukte en tegen mij onder het bed zei: ‘Kom, nu is het afgelopen. Ga mee naar beneden.’ De Here Jezus kwam naar de aarde om te dienen. Om naar ons toe te komen en ons te roepen: ‘Kom weer naar Mijn Vader toe. Wees nou niet langer boos op God en verstop je niet.’ De Here Jezus had er voor kunnen kiezen om niet te komen. Toch kwam Hij. Hij die God zelf was – en wat is er groter dan God? Hij werd een kindje. Zo kwam Hij naar ons toe. Hij maakte zich klein. Zodat wij weer in God konden, wilden geloven. Hij kwam naar ons toe. Dat deed Hij uit liefde. Niet mopperend, zo van: die mensen ook altijd die bij God weglopen. Nou moet ik ze steeds weer terugbrengen. Nee, uit liefde. Ik wil niet dat de mensen bij God weglopen, boos zijn op God, of leven zonder God. De kerk is een lichaam met de Here Jezus als ons hoofd. De Here Jezus diende ons. Zo moeten wij elkaar dienen. Liefde – in ons werkt. Is het moeilijk om te dienen? Dat dacht ik wel, als ik steeds de voetstappen van mijn vader hoorde op de trap als hij mij weer kwam halen. Eigenlijk wilde ik liever niet dat hij kwam. Ik wilde liever dat ik boos kon blijven en niet bij de anderen was. toch heb ik van Hem geleerd om te dienen. Als een van onze kinderen boos weg loopt naar de kamer, om dan niet te denken: bekijk het maar, eigen schuld dikke bult, maar om te denken: ik ga naar boven en ga haar weer halen. Ik vertel dit verhaal over mezelf niet om over mezelf te vertellen, maar om over de Here Jezus te vertellen en om te laten zien, dat we van Hem kunnen leren. Hij diende ons en daarom kunnen wij dienen. Omdat we dat van Hem geleerd hebben. Dat dienen gebeurt bij iedereen op een verschillende manier. De een is heel geduldig, de ander kan goed luisteren, de ander kan goed zingen. De Here Jezus kwam om ons te dienen. Door Hem leren we om elkaar te dienen. Soms kan het heel praktisch. Door te helpen. Als je iemand helpt met boodschappen die dat zelf niet meer kan doen. Soms door aan iemand te denken. Je weet dat iemand naar het ziekenhuis moet en je stuurt een kaartje om iemand sterkte te wensen. Je weet dat iemand ziek is in je klas en je zet een krabbel op zn hyvespagina: wordt maar weer snel beter. Je doet dit, omdat de Here Jezus jou diende en jou ophaalde om bij het lichaam te horen. Ik heb een oom, die heel veel last had van zijn kleine teen. Hij werd daar steeds weer aan geopereerd. Op een keer zei hij tegen de dokter: Kunt u die teen niet eraf halen? Nee, zei de dokter, die teen is heel belangrijk. Als u die kleine teen niet meer hebt kunt u niet meer uw evenwicht bewaren. Ik kom heel vaak mensen tegen, die denken dat zij niet belangrijk zijn. Alleen maar tot last. Een oude vrouw kon niet meer naar de kerk. Ze voelde zich te oud. Ook al drongen kennissen aan, dat zij met hen mee zou rijden, ze deed het niet. Te oud. Wie zat nog op haar te wachten? Niets kon ze meer, ze mankeerde van alles. Toen vertelde hoe ze geregeld bad met God. Ze worstelde in dat gebed en ze kreeg er rust door. Op een keer vroeg ik voor wie ze bad. Ze noemde alle zieken op van de gemeente en alle mensen van wie ze wist dat ze het moeilijk hadden. Toen begreep ik ook waarom ze steeds aan mij vroeg bij de bezoeken die ik bij haar aflegde hoe het met bepaalde zieken ging. Dan wist ze hoe ze moest bidden. Ik werd er stil van en zei tegen haar: Mevrouw, nu weet ik waarom u er nog bent. Omdat u veel betekent voor de kerk. U bidt. Als je denkt: ik kan niets voor iemand anders doen. Dan kun je altijd nog voor iemand bidden. Dat is het belangrijkste wat je voor iemand kunt doen. De grootste dienst: bidden: Here Jezus wilt u voor hem zorgen, voor haar. Dan heb je begrepen wat geloven betekent: De Here Jezus kwam om ons bij God te brengen. Hij haalde ons op en bracht ons bij God. Zo brengen wij door te bidden iemand anders bij God. En als we voor iemand anders bidden, denken we eraan hoe moeilijk diegene het heeft en geloven we ook dat God onze gebeden hoort. Door aan iemand te denken én door voor iemand te bidden, help je iemand. Amen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s