Marginaal en missionair (2): Handelen van God

Marginaal en missionair (2): Handelen van God

Over Marginaal en missionair van Wim Dekker valt veel te zeggen. Het boek biedt genoeg om er lang over na te denken, om er tegen in te gaan. Dekker spreekt over de krimp van de kerk, die wel eens een oordeel van God kan zijn. Hij plaatst de kerkdienst (preek, avondmaal en liturgie) in het hart van gemeentezijn en is niet gelijk overtuigd van de noodzaak van kerkplanting. Het is verleidelijk om direct daarover in discussie te gaan. Alleen dan wordt naar de kern van het betoog van Dekker over het hoofd gezien: het handelen van God.

Voor alles lees ik Marginaal en missionair als een boek dat (weer) oog wil hebben voor het primaat van Gods handelen. De kerk is allereerst een gebeuren van God. Het handelen van God in en aan de kerk is niet alleen te zien in de groei van de kerk. Wanneer alleen over Gods handelen gesproken wordt als de kerk groei, valt de zegen van God samen met succes. Dekker wil ook in het kleiner worden van de kerk niet voorbij aan Gods handelen. Kan het niet een oordeel zijn van Godswege waardoor de kerk kleiner wordt?
Ook in de vernieuwing van de eredienst en in het centraal stellen van de preek gaat het om het handelen van God. In de christelijke traditie is de eredienst de plaats bij uitstek waar God te ontmoeten is. Overigens, Dekker voert niet alleen een pleidooi voor de preek, maar in het kader van Gods handelen aan ons ook voor het avondmaal. Als de eredienst de plaats van ontmoeting tussen God en mens, waarin wij het heil ontvangen, krijgt ook de gemeente betekenis vanuit het handelen van God. Geloven kan niet zonder de kerk, omdat dan de plaats waar God handelt genegeerd wordt.

Vergelijkbare stemmen

Met zijn nadruk het primaat van het handelen van God staat Dekker niet alleen. Ook dr. Bert de Leede legt hier de laatste tijd de nadruk. Ik denk aan zijn artikel, waarin hij zich afvraagt waarom tijdens zijn verblijf in de VS meer werd aangesproken dan in de gemiddelde kerkdienst in Nederland (http://www.izb.nl/index.php?aId=1393&hilite=leede).[1] Of aan zijn lezing “De kerk in het vizier” tijdens de conferentie van de Gereformeerde Bond in 2010 over Geestelijk leiding geven vandaag (https://mjschuurman.wordpress.com/2010/05/29/922/). Of aan zijn lezing op de Kontekstueel-dag: ‘Het voor-laatste woord: samen met alle heiligen’ (na te lezen via www.kontekstueel.nl). Ook de bijdragen van prof. dr. A. van de Beek horen bij deze (nieuwe?) ontwikkeling. Vooral zijn hoofdstuk over de doop in God doet recht.
Ook dr. H. Vreekamp, die niet voor niets enkele keren in Marginaal en missionair voorbij komt, past in deze ontwikkeling. In zijn boek De tovenaar en de dominee komt hij in zijn zoektocht naar het handelen van God uit bij de Schrift die in de eredienst wordt gelezen. Daar wordt God ontmoet. (Ook al is dat op een andere manier dan wij vaak denken.)
Het fascinerende is dat lijnen uit het boek ook te vinden zijn in het werk van Wolfgang Ratzmann[2] en Eberhard Winkler[3], praktisch-theologen uit Oost-Duitsland, die zich bewust rekenschap hebben gegeven van de seculiere context van Oost-Duitsland.[4] Beiden zijn niet alleen bezig geweest met missionaire gemeenteopbouw of missionaire liturgie, maar hebben ook nagedacht over het belang van (goede) kerkmuziek.
Ook de Duitse praktisch-theoloog Christian Möller past in dit plaatje. De laatste jaren is hij uit het Nederlandse gezichtsveld verdwenen, omdat hij niet veel moet hebben van allerlei modellen.[5]

Mijns inziens is het van belang om de lijn van het handelen God als basis voor de kerk verder te doordenken. Niet alleen met het oog op de toekomst van de kerk, maar vooral ook met het oog op het heden. We zijn immers vandaag de dag kerk. De toekomst is niet in onze hand.

ds. M.J. Schuurman


[2] Wolfgang Ratzmann, “Gott ist gegenwärtig”. Aufsätze zum Gottesdienst. Beiträge zu Liturgie und SPiriualität 19 (Leipzig, 2010).

[3] Eberhard Winkler, Gemeinde zwischen Volkskirche und Diaspora. Eine Einführung in die praktisch-theologische Kybernetik (Neukirchen-Vluyn, 1998). Winkler heeft naast zijn functie als hoogleraar Praktische theologie altijd als predikant ook een (kleine) gemeente gediend.

[5] Christian Möller, Wovon die Kirche lebt. Gewißheit – Gemeinschaft – Lehre – Sakrament (Göttingen, 1980); “Wenn der Herr nicht das Haus baut…”Briefe an Kirchenälteste zum Gemeindeaufbau (Göttingen, 20076); Der heilsame Riß. Impulse reformatorischer Spiritualität (Stuttgart, 2003); Lasst die Kirche im Dorf! Gemeinden beginnen den Aufbruch (Göttingen, 2009). Zie: https://mjschuurman.wordpress.com/2009/12/05/gods-belofte-als-basis-voor-het-kerkewerk/

Wolfgang Ratzmann – Verhaal als communicatiefactor in het preekproces

Wolfgang Ratzmann – Verhaal als communicatiefactor in het preekproces

Ook als de discussie in de jaren-‘80 over de narratieve theologie en de narratieve prediking wat is verstomd, zijn de inzichten over de noodzaak van vertellen in de verkondiging niet weerlegd. De vaak wat euforisch opgestelde thesen in de eerste essays[1] en verzamelbundels[2] hebben plaatsgemaakt voor wat meer afgewogen hoofdstukken in homiletische handboeken, waarin het vertellen wals een belangrijke methode naast anderen wordt gezien.[3] Een dergelijk ontwikkeling is niet te betreuren. Integendeel, een dergelijke ontwikkeling is toe te juichen. Niemand is er mee gediend als een methode belast wordt met overspannen verwachtingen en de latere teleurstelling al bij voorbaat wordt ingeprogrammeerd.
Met de verwerking van het vertellen in leerboeken zijn nog lang niet alle homiletische problemen, waar de narratieve prediking mee te maken heeft, zijn opgelost. Een kwestie, die – als ik het goed zie – nog niet is opgelost, is de functie van een verhaal in de communicatie tussen de prediker en de gemeente.

1. De communicatie tussen prediker en gemeente
Vooral de homiletiek die door de pastorale psychologie is beïnvloed heeft in de afgelopen 20 jaar voortdurend de relatie tussen prediker en gemeente gethematiseerd. Met reden: Hans van der Geest heeft bijvoorbeeld met behulp van empirisch onderzoek aangetoond, dat bij de reacties van de luisteraars in de eerste plaats niet gaat om de cognitieve inhoud van de preek, maar allereerst om de communicatieve relatie tussen prediker en gemeente, die iets met de luisteraar doet. Het gebeuren in de kerkdienst wordt als bevredigend ervaren, als ik door aangesproken te worden geborgenheid en bevrijding ervaar.[4] Het verkondigde woord wordt pas gehoord en door de luisteraar aangenomen als de prediker zelf de waarheid van het bijbelse Woord voor zichzelf ontdekt heeft en daardoor gegrepen is.[5]
Als wij na afloop van een kerkdienst een nabespreking houden met gemeenteleden (zoals bijvoorbeeld in het kader van het homiletische seminarie gebruikelijk is[6]) worden zulke resultaten bevestigd: het duurt vaak een lange tijd voordat er door de deelnemers aan het gesprek inhoudelijke aspecten aan de orde stellen. Vaak moet de gespreksleider het initiatief nemen om het gesprek op de inhoud te brengen. Voordat het zover komt, worden eerst factoren besproken, die te maken hebben met de voordracht: of de preek goed te horen was, over het stemgebruik en meestalk of men zich door de prediker aangesproken voelde en in hoeverre de preek geloofwaardig en overtuigend was.
Een dergelijk resultaat moet niet gebruikt worden om de gemeente theologische desinteresse te verwijten, omdat ze uit zichzelf niet op de inhoud komt. Dit resultaat laat eerder zien dat ook voor de preek de wetten van de menselijke communicatie gelden: als mensen naar elkaar luisteren en met elkaar spreken zijn zij niet alleen betrokken op de inhoud. Elke communicatie is tegelijkertijd een uitdrukking van een bepaalde relatie. Of we dit nu accepteren of niet.[7]  De consequenties voor de homiletische opleiding ligt voor de hand. In de opleiding moet niet alleen gelet worden op de theologisch-hermeneutisch en taalkundig acceptabele inhoud, maar moeten predikanten zich ook bewust worden van de belangrijke relationele aspecten. Daardoor kunnen zij hun communicatieve competentie verbeteren.[8]
In dit essay gaat het niet om de problemen, die daarmee te maken hebben. Ik wil nagaan in hoeverre een bepaalde homiletische methode, namelijk het vertellen in een preek, geschikt om de relatie te stimuleren tussen de prediker en de gemeente. Deze relatie is van belang om een preek te kunnen beluisteren en te kunnen begrijpen. Wanneer men de gepassioneerde pleidooien voor vertellen in de preek gelooft, is het antwoord al duidelijk. Vertellen is een middel om de relatie tussen toen en nu te leggen en om zo een vertelgemeenschap samen te brengen. De vertellende predikant wordt als het middelpunt van deze narratieve gemeenschap gezien. Maar werkt het zo eenvoudig? Creëert vertellen automatisch een positieve relatie? Of kan men door te vertellen ook de communicatie belemmeren?

2. De bijzondere kans van de narratieve prediking

Het schijnt mij toe dat de kansen van een vertellende preek niet in de eerste plaats op het terrein van de communicatie tussen prediker en hoorder gezocht moet worden. Op dit terrein dienen de mogelijkheden en de beperkingen van de vertellende preek zeer zorgvuldig nagegaan te worden.

Voor het vertellen in de preek zijn vooral deze drie redenen aan te dragen:

2.1 Het bijbelse aspect
De Bijbel zelf ontvouwt het kerygma niet uitsluitend op narratieve manier maar de verhalen zijn rijkelijk aanwezig. Dat is niet toevallig. Dat heeft te maken met de structuur van de Joods-christelijke ervaring van het heil: God wordt ervaren in een geschiedenis van een volk, in de geschiedenis van aanhangers van Jezus, in de geschiedenis van de zich vormende kerk als de schepper en brenger van het heil. De eerste taalvorm die geschikt was voor deze ervaring was het verhaal. De meer reflecterende wijsheid en de abstracte theologische begripsvorming volgden pas later. En de Bijbel zelf laat zien dat het doorvertellen van de oorspronkelijke gebeurtenissen bij de latere generaties voor soortgelijke ervaringen zorgde. Vanuit het zelfverstaan van de bijbelse teksten is het geboden de hier verzamelde teksten verder te vertellen.
Tegelijkertijd moet ook aan de huidige leefomstandigheden worden gedacht. De Bijbel is steeds meer en meer een onbekend boek. Ook in Duitsland. Ook onder christenen. Daarom is het begrijpelijk dat Horst Hirschler oproept om de Bijbeltekst weer centraal te stellen in de preek en de tekst tot een overlaadpunt van inzicht te maken.[9] Het kan een bijzondere kans voor de narratieve prediking zijn om zich intensief met de Bijbeltekst bezig te houden: door niet alleen over of vanuit de tekst te reflecteren, maar om de tekst aanschouwelijk en voorstelbaar te maken, met een blik op details die op het oog niet zo relevant lijken te zijn. Een bijbelse vertelling die op deze manier is vormgegeven is geen naïeve tekst, maar biedt specifieke mogelijkheden om hermeneutisch verder te komen. Bijvoorbeeld met een interpreterende raamvertelling over de ontstaansgeschiedenis van de tekst. Of kan er historische informatie, die van belang is om de tekst te begrijpen, in de vertelling worden ingebouwd. Een bekende tekst kan vanuit een bepaald perspectief opnieuw oplichten en zo opwindend-stimulerend vervreemden.

2.2. Het aspect van de concretisering
Wie vertelt, moet concreet worden. Daarom is een vertellende preek een heilzaam middel tegen verkondiging dor door kleurloze bleekheid, door abstractie of door algemene waarheden niemand overtuigt. De algemene waarheden en theologische abstracties hebben natuurlijk hun reden. De preek wordt door verschillende mensen gehoord. Menig predikant meent dat hij dit verschil in leven en beleven alleen kan aansluiten door algemene uitspraken te gebruiken. Daarbij wordt over het hoofd gezien dat het geloof op deze manier op een afstand komt te staan. Bovendien zijn abstracties uitdrukking van een religiositeit, die geen durf meer heeft om het in deze seculiere wereld over God en het geloof in God te hebben. Concreet over God spreken is niet alleen een taalkundig, maar ook vooral een theologisch waagstuk. Het verbod om een beeld van God te vormen herinnert aan dit risico. Daarom kunnen wij – met de bijbelse auteurs – over God, willen wij God niet verliezen, alleen spreken in vertellingen, gelijkenissen en beelden. Dat kan zowel met behulp van een bijbelse vertelling slagen als door te vertellen over hedendaags leven en geloof.[10]

2.3 Het heroriënterend aspect
Bij Luther is al te lezen dat een beeldende, vertellende verkondiging de hoorder eerder aanspreekt dan een abstracte dogmatiserende preek: ‘Als men over het leerstuk van de rechtvaardiging preekt, slaapt het volk en hoest men. Als men echter begint om een geschiedenis of een voorbeeld te vertellen, worden de oren gespitst, is het muisstil en wordt er ijverig geluisterd.’[11] Met een verhaal komt de prediker niet alleen de kinderen en de jongeren tegemoet en ook niet alleen degenen die tot de onderlaag van de bevolking horen, maar het verhaal is duidelijk een middel dat het zo goed als voor alle mensen gemakkelijker maakt om te luisteren. Natuurlijk hangt dat af van de kwaliteit van de manier waarop het verhaal gebracht wordt. Tegelijkertijd is het verhaal een heel geschikte manier om kinderen te bereiken. Ook degenen die tot de onderklasse behoren, worden zoals Horst Albrecht heeft laten zien door een verhaal gemakkelijker bereikt.[12] Gebruik maken van vertellen is de gemakkelijkste manier om velen voor de kerkdienst en speciaal voor de  preek te interesseren, die door andere vormen moeilijk te bereiken zijn. Er is dus genoeg reden om de narratieve vorm van de verkondiging, zoals die in een kerkdienst gebeurt, serieus genoeg te nemen en ruimschoots ervaring op te doen met verschillende toepassingen.

Deze belangrijke homiletische methode is echter niet automatisch in verband te brengen met het communicatieve aspect, dat belangrijk is voor het ‘succes’ van de verkondiging. Aan de hand van een voorbeeld wil ik dat illustreren:

3. Vertelling als blokkade in de communicatie

In een preek over 1 Timotheüs 1:12-17, die van de theologiestudenten tijdens het seminarie hield, begon de prediker met een oproep:

We laten ons met elkaar terugplaatsen in het jaar 92 na Christus. We zijn op de markt in de Klein-Aziatische stad Efeze. Het is warm. De handelaren bieden luid hun waren aan…’

De prediker vertelt dan verder over een groep die naar een man luistert, die een brief voorleest.

‘Een van de luisteraars is Akolouthos, een oude man met grijs haar’, voegt de prediker eraan toe en roept de gemeente op om samen met de oude man naar de brief (dat wil zeggen de tekst voor de prediking) te luisteren. Na het lezen van de tekst volgt deze passage:

‘Nadat Akolouthos deze zinnen hoorde, verzonk hij helemaal in gedachten. Akolouthos had jaren geleden de apostel zelf leren kennen. De herinneringen aan Paulus staan hem nog helder voor de geest. Toen Paulus in Efeze was gekomen, hadden Paulus en hij elkaar direct begrepen. Op een avond stond de kleine, haast onopvallende man bij Akolouthos in de werkplaats en vroeg om werk…

Dan vertelt Paulus aan Akolouthos zijn levensverhaal. Vooral omdat Akolouthos er herhaaldelijk bij Paulus op aandringt dat te vertellen. Als Paulus over zijn leven vertelt, loopt het gesprek uit op een gesprek over verschillende perspectieven van het geloof. Akolouthos toont zich een vereerder van de Egyptische godin Isis. Paulus vertelt op zijn beurt over zijn geloof. Uit deze redevoering geef ik een langer citaat:

‘Paulus ging verder: “Onze God is de Schepper van de gehele wereld. De schepping van de wereld was zijn vrije beslissing. Onze God heeft de wereld en alles wat leeft geschapen. Daarom is onze God niet zoals de Griekse goden met onze begrippen te beschrijven. Geen enkele menselijke eigenschap kan onze God weergeven: God was er al voor Hij besloot onze wereld te scheppen. Hij zal er ook nog zijn als onze aarde voorbij zal zijn. Aan de door God geschapen wereld kunnen wij de grootheid van onze God zien Wij kunnen slechts proberen om met onze woorden en begrippen de grootheid van God te beschrijven of te zeggen wat God niet is. Onze God is onvergankelijk, onzichtbaar, niet te verklaren. Daarmee kunnen wij God echter niet werkelijk beschrijven. God is volkomen. Wij komen met onze uitspraken slechts in de buurt van wat God is. Als wij God loven en prijzen kunnen wij daarom bijvoorbeeld zeggen: God, de eeuwige koning, de onvergelijkbare, de onzichtbare, die alleen God is, zij eer en lof in eeuwigheid.”’

Het is duidelijk wat de bedoeling van de prediker is: hij wil de predicaten van God, die theologisch overbelast zijn, op deze manier interpreteren. Maar slaagt hij daar ook in? In de nabespreking kwam naar voren dat voor de meesten het luisteren niet gemakkelijk was. Er waren verschillende niveaus van tijd en handeling: de marktplaats waar de brief werd voorgelezen, de terugblik in het verleden van Akolouthos met Paulus. De prediker had niet consequent genoeg gebruik gemaakt van de verschillende werkwoordstijden om zo het luisteren gemakkelijker te maken. Velen vroegen zich af, waar de prediker eigenlijk heen wilde. De identificatie, waar de prediker op uit was, slaagde moeizaam. De preek bestond uit lange toespraken. Wat geschilderd werd, bevatte weinig aan handelingen. De prediker vertelde eerder over een dialoog, die soms dreigde te ontaarden in langere, niet altijd even gemakkelijke theologische monologen. Velen vroegen zich na de vijfde of zesde zin van de Paulus die aan het theologiseren was, wie er aan het woord was: de prediker die voor hen stond, de Paulus over wie werd verteld of degene op het marktplein die de brief aan het voorlezen was.
De verhalende vorm werd gebruikt om het begrijpen eenvoudiger te maken. Alleen op deze manier vormt de gebruikte vorm juist een communicatieblokkade. Het verhaal bood geen toegang tot de inhoud. De gebruikte vorm leidde tot irritaties met betrekking tot wat de prediker als zijn eigen persoonlijke opvattingen wilde meedelen. De vorm belemmerde de goede verhouding tussen de prediker en zijn luisteraars, terwijl die goede relatie zinvol is wil de verkondiging ‘succes’ hebben.
De oorzaken van zulke communicatieblokkades liggen op twee niveaus. Allereerst is er niet goed nagedacht over de fundamentele methoden van het vertellen. Een verhaal moet een handeling weergeven en niet alleen gesprek. Een verhaal is geen methode waar de prediker naar wens een academische of sterk dogmatiserende inhoud in kan ‘kieperen’. Als in een verhaal iemand spreekt, moet dat ook herkenbaar zijn als mondeling gesproken. De werkwoordtijden moeten nauwkeurig worden gebruikt. Ik mag vanwege de luisteraars (en dus ook niet als het om volwassen bezoekers van een kerkdienst gaat) niet teveel handelingsniveaus gebruiken. Op ambachtelijk vlak valt er nog veel te verbeteren. In de tweede plaats gaat het niet alleen om de methodische kwesties. In het nagesprek bleek dat de prediker zelf aanzienlijke moeite had om de tekst te ontsluiten en om een goede relatie met de tekst te krijgen. De figuur van ‘Paulus’ bood hem de mogelijkheid om de eigen distantie ten opzichte van de tekst (met de onzekerheden en de vragen die dat met zich meebracht) enigszins te verbergen en toch ook mogelijkheid tot interpretatie te kunnen aanbieden. Blijkbaar is dit een motief voor veel narratieve prediking: de prediker kan in een bepaalde rol van het verhaal vluchten, waardoor hij lijkt te ontkomen aan een eigen positie ten opzichte van de Bijbeltekst en de daarbij behorende geloofsgetuigenis. Zolang de vertelling duurt, spreekt ‘Paulus’. Degene die preekt kan niet met die positie vereenzelvigd worden. Hij ontspringt op dat moment de dans. Hij hoeft nog geen kleur te bekennen.
Begrijp me niet verkeerd. Het kan de charme van een vertellende preek zijn dat de luisteraar gedurende een lange tijd niet weet welke oplossing er gevonden wordt – en op welke manier de prediker zelf positief kiest. In een verhaal kan stem en tegenstem klinken. Naast de ene figuur kan de andere optreden. Maar op een gegeven moment is het nodig om kleur te bekennen. In het laatste deel van het verhaal of desnoods in een commentaar dat na het verhaal wordt gegeven, zullen predikers positie moeten kiezen. Ook al gebeurt dat met enkele korte opmerkingen, die de mogelijkheid open houden om er zelf op door te denken. Wie naar een preek luistert, zoekt naar een boodschap die een mens tegen hem aanbiedt en die ook verder meegenomen kan worden.
Ook degene die de geciteerde preek had gemaakt, had gemerkt dat de uitdaging van de eigen stellingname aangevoeld: het derde deel van zijn preek was een commentaar op het voorafgaande. De prediker was echter niet in staat om de omvangrijke monoloog van ‘Paulus’ (waar ik hier slechts een gedeelte van heb geciteerd) te integreren in zijn eigen stellingname. Op die manier liet hij ook iets van zichzelf zien, zonder dat hij het verhaal geheel voor zijn rekening nam. De irritaties die tijdens het verhaal opkwamen werden slechts gedeeltelijk afgebouwd.

4. Enkele praktische consequenties

Het is nadrukkelijk niet mijn bedoeling om te waarschuwen voor verhalende prediking. Daarvoor biedt dit genre van preken teveel kans. Het gaat mij er veelmeer om de juiste conclusies te trekken, zodat een vertellende preek de communicatie niet blokkeert, maar stimuleert. Mijns inziens moet het volgende bedacht worden:

(1) De narratieve preek kan alleen slagen als er genoeg ambachtelijke vaardigheden aanwezig zijn. Beginners laten zich vaak verleiden tot veel fouten. Het zou goed zijn als enkele studenten tijdens het homiletisch seminarie, zoals degene die de geciteerde preek had gemaakt, de moed hebben om bepaalde methoden uit te proberen. Zij leren er veel van. Niet het minst door de gemaakte fouten. Ook de routinier zou af en toe zijn repertoire aan methoden moeten herzien en laten bekijken door de kritische blik van gemeenteleden en collega’s.
De ambachtelijke vaardigheden gelden ook voor het commentaar dat op het verhaal volgt. Het mag niet gebeuren dat we na een kleurrijke vertelling vervallen in een levenloos abstract theologiseren. In dat geval daalt het niveau van opmerkzaamheid van de luisteraars direct tot nul. Het is veel beter om het ‘materiaal’ dat in het verhaal is verwerkt erbij halen door middel van een begrip uit een dialoog, een beeld, een ondersteunend gebaar en daarbij duidelijke taal te spreken. Horst Hirschler spreekt van de ‘bezichtiging van wat verteld is’, waar hij de luisteraars voor wil uitnodigen.[13] Op die manier kan de prediker zijn eigen standpunt naar voren brengen en de gemeente uitdagen om helderheid te verschaffen over hun eigen positie, zonder dat het belerend werkt.
(2) We moeten ook onze motieven om te kiezen voor een vertellende preek onder ogen zien. Als blijkt dat we op zoek zijn ondanks onze distantie tot de tekst of tot de hoorders toch tot een preek willen komen, is de verhalende preek uiteindelijk geen hulpmiddel. De distantie van de prediker produceert bij het gebruik van een verhaal slechts irritaties en frustraties bij de luisterars. Het is dan beter om te kijken of er in de loop van het preekproces andere stappen te nemen die behulpzaam zijn in het overwinnen van de eigen blokkade van de prediker. Vaak kan dat in een gesprek met anderen, waarin de prediker over zijn moeite vertelt. Als dat niet tot gewenste resultaten leidt, is het beter om de moeilijkheden die er met de tekst zijn aan de gemeente te vertellen. Als een dergelijke mededeling niet als een plichtmatige opmerking komt, maar uit het hart komt, zal de opmerking geaccepteerd worden. Op die manier wordt de weg duidelijk waarop er toch naar een boodschap gezocht kan worden die in de tekst verborgen is. Misschien kan dan in de preek ook volop verteld worden. Maar niet met het doel om wat gevonden is voor de gemeente verborgen te houden.

Vertaling van: Wolfgang Ratzmann, “Erzählung als Kommunikationsfaktor im Preditprozeß”, in: Idem, “Gott ist gegenwärtig”. Aufsätze zum Gottesdienst. Beiträge zu Liturgie und Spiritualität, Band 24 (Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2010) 139-149

Dit essay is eerder verschenen in het Festschrift voor de oudtestamenticus Hans Seidel: Matthias Albani / Timotheus Arndt (Hg.), Gottes Ehre erzählen (Leipzig, 1994) 89-96.


[1] Zie vooral de beide essays van Johann Baptist Metz, ‘Kleine Apologie des Erzählens’, Concilium 9 (1973) 334vv en Harald Weinrich, ‘Narrative Theologie’, Concilium 9 (1973) 329vv.

[2] Zie voor narratieve prediking vooral: Horst Nitschke (Hg.), Erzählende Predigten (Gütersloh, 1976) en Horst Nitschke (Hg.), Erzählende Predigten 2  (Gütersloh, 1981). Vanuit de narratieve theologie zijn ook belangrijke impulsen uitgegaan naar de verteltheorie en vertelpraktijk in het godsdienstpedagogische veld, die hun weerslag hebben gekregen in talrijke verzamelbundels. Ik verwijs naar het fundamentele werk: Walter Neidhart / Hans Eggenberger (Hg.), Erzählbuch zur Bibel (Zürich/Einsiedeln/Köln/Lahr, 1975).

[3] Zie: Horst Hirschler, Biblisch predigen (Hannover, 1988), 178vv (naast de talrijke praktische voorbeelden in het boek); Manfred Haustein, ‘Sprachgestalten der Verkündigung’, in: Karl-Heinrich Bieritz e.a. (Hg.), Handbuch der Predigt (Berlijn, 1990) 459vv; Peter Bukowski, Predigt wahrnehmen (Neukirchen-Vluyn, 1990) 110vv.

[4] Hans van der Geest, Du hast mich angesprochen. Die Wirkung von Gottesdienst und Predigt (Zürich, 1978) 77v.

[5] Hans van der Geest, Du hast mich angesprochen, p. 145vv.

[6] Aan het Theologisch Seminarie van Leipzig en aan de Theologische Faculteit Leipzig wordt het homiletisch seminarie gehouden in verbondenheid met kerkelijke gemeenten in Leipzig en omgeving. De kerkdiensten worden door studenten geleid en nabesproken met gemeenteleden.

[7] Zie vooral: Pal Watzlawick e.a., Menschliche Kommunikation (Bern/Stuttgart/Wien, 19805). Interessant is de poging om van Fritz Schulz von Thun om dit verder te ontwikkelen. Hij thematiseert niet alleen het inhoudelijke en het relationele aspect van een toespraak, maar ook de aspecten van zelfopenbaring en appèl: Miteinander reden. Störungen und Klärungen. Psychologie der zwischenmenschliche Kommunikation (Reinbek, 1981).

[8] Rolf Zerfaß / Franz Kamphaus (Hg.), Die Kompetenz des Predigers (Münster, 1979).

[9] Horst Hirschler, biblisch predigen, p. 18v.

[10] Zie: Horst Hirschler, Konkret predigen (Gütersloh, 1977).

[11] Martin Luther, WA TR 2408 b, geciteerd door H. Hirschler, Konkret predigen, p. 10.

[12] Horst Albrecht, Arbeiter und Symbol. Soziale Homiletik im Zeitalter des Fernsehens (München, 1982).

[13] H. Hirschler, Konkret predigen, p. 43.

Marginaal en missionair (1) Korte impressie

We maken het mee dat we als kerk steeds kleiner worden. Wanneer we dat om ons heen zien, misschien zelfs bij onze eigen kinderen, bestaat het gevaar dat we gaan twijfelen. Heeft het nog zin om met de kerk door te gaan? Of moet het roer totaal omgedraaid worden? Hierbij een korte impressie. (Het is mijn bedoeling om aan dit boek een aantal blogs te wijden.)

Om op deze vragen in te gaan heeft ds. Wim Dekker een boek geschreven: Marginaal en missionair. Kleine theologie voor een krimpende kerk.
Dekker ziet geen heil in het opleuken van de kerk. Volgens hem moet het in de kerk (weer) gaan om het ene punt dat de kerk uniek maakt: de kerk is de plaats om God te ontmoeten.
Wil de kerk missionair zijn, dan moet ze volgens Dekker twee dingen doen: (1) beseffen dat de kerk voorlopig klein blijft, (2) opnieuw erover nadenken wat het betekent om in de kerk(dienst) God te ontmoeten.
In de kerkdienst gaat het erom, dat  Gods grote daden gedenken. Gedenken wil zeggen: niet als iets van het verleden beschouwen, maar zien dat God op dezelfde manier kan handelen. ‘Ons verloren bestaan wordt opgenomen in de ruimte van Gods aanwezigheid die tegelijk redding, vergeving en eeuwig leven inhoudt. (…) Uitsluitend in dat kader kunnen we ook nadenken over de viering van het avondmaal en of dat vaker zou moeten. Misschien is de dag dan niet meer ver dat we allen aanvoelen: we moeten vaker vieren omwille van ons leven. Anders sterven we van dorstin een Godvergeten cultuur.’

Als het in de kerk om de ontmoeting met de levende God gaat, moet het ook in de preek om de ontmoeting van God met ons leven. Vanuit die ontmoeting leren wij om aan anderen uit te leggen wat het in ons dagelijks leven inhoudt om bij Christus te horen. Een goede preek, waarin deze ontmoeting tussen God en mens plaatsvindt, is dus van missionair belang.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v.: Wim Dekker, Marginaal en missionair. Kleine theologie voor de krimpende kerk (2011).

Geschreven voor De kerk thuis mei/juni 2011

Ware rijkdom

Meditatie

Ware rijkdom                  
Want geldzucht is een wortel van alle kwaad (1 Timotheüs 6:10)

Maakt geld gelukkig? De vrouw die mij belde namens een loterij vond van wel. Toen ik aangaf dat ik geen lot wilde kopen, reageerde zij met verbazing: ‘U wilt uzelf toch niet tekort doen?’ Ze suggereerde, dat ik een grote kans om gelukkig te worden aan mij voorbij liet gaan.
We kunnen daar heel lacherig over doen. Alleen vergeten we dat vandaag de dag het vinden van geluk erg belangrijk is. Geluk en gezondheid scoren heel hoog. Wie het geluk vindt, heeft het leven gevonden. Wie gelukkig is, merkt dat hij leeft. Als ik gelukkig ben, merk ik dat mijn leven de moeite waard is om geleefd te worden. Geluk geeft aan mijn leven een glans, een waarde. Kan geld die glans en die waarde aan ons leven geven?
Het omgekeerde kan in ieder geval wel: geldgebrek kan ongelukkig maken. Je kunt gebukt gaan onder een schuld. Wie in armoede is opgegroeid kan zich de rest van zijn of haar leven de mindere voelen van anderen. Iemand die zich van gewone arbeider op weet te werken tot directeur maakt indruk op ons. Dan ben je wat. Je hebt wat van je leven weten te maken.

Toch kan geld ook iets gevaarlijks zijn. Op het eerste gezicht lijkt het je gelukkig te maken, maar als geld de drijfveer wordt, kun je je eigen idealen verloochenen. Het kan het slechtste in ons boven halen. We kunnen ons geloof erdoor verloochenen.
Wat bedoelt Paulus daarmee? Paulus spreekt over geldzucht. Hij spreekt over liefde tot geld. Deze liefde voor het geld kan al het andere, waar we normaal gesproken van houden, verdringen: onze familie, onze vrienden, onze God. Het kan ons karakter veranderen. Het kan ons verteren, zoals de ring in The Lord of the Rings een sterke, maar ook vernietigende aantrekkingskracht heeft. Geldzucht kan ons in de greep houden en ons totaal verpesten.

Hoe moet je je ertegen wapenen? Het tegenovergestelde van geldzucht is niet dat we ons verheffen boven het geld of dat we trachten zonder geld te leven. Dat kan praktisch ook niet. Het tegenovergestelde van degene die zich door geld laat leiden is degene die rein is van hart. Rein van hart wil zeggen: dat ons hart van Christus is, door Hem wordt gereinigd en bewoond. De belangrijkste vraag is niet: ‘Leef ik?’ Ook niet: ‘Zien anderen mij staan?’ Of: ‘Word ik wel gewaardeerd?’ De belangrijkste vraag is: wat heb ik met Christus?
Die andere vragen zijn ook belangrijk en worden niet van tafel geveegd. De vraag of ik leef, of anderen mij zien staan, of anderen mij waarderen zijn wezenlijke vragen. De vraag wat ik met Christus heb, is nog wezenlijker.
Eén van mijn collega’s vertelde dat een catechisant uitdagend op hem was afgekomen: ‘Dominee, ik ben op vakantie geweest en ik heb alles gedaan, wat God verboden heeft.’ ‘Wat heb je dan gedaan?’ vroeg de dominee. ‘Nou, dat weet u toch wel?’ ‘Vertel eens…’ ‘Nou, drank….’ De jongen zweeg om indruk te maken. ‘En wat nog meer?’ ‘En vrouwen….’ ‘Je bent op zoek geweest naar leven. Heb je dat gevonden?’
Op zoek naar leven, het echte leven. Voelen en ervaren dat je leeft. Ik denk dat dit verlangen voor veel mensen vandaag de dag belangrijk is. De spannende vraag voor ons als gelovigen is: hebben wij deze mensen nog iets te vertellen? Kan een leven met Christus ook een vervulling van dat verlangen zijn?
Een leven met Christus is meer dan geluk. Hoe belangrijk geluk ook is, een leven met Christus kan ook betekenen dat we ons eigen geluk durven op te offeren om een ander gelukkig te maken. Geluk in het leven vinden, kan soms ook betekenen: niet mijn eigen geluk nastreven, maar het geluk van de ander. 
Wat we hier op aarde hebben, is niet van ons. We hebben dat alleen in bruikleen. Ook geld is slechts in bruikleen gegeven door God. Leven met Christus betekent dat ons leven niet om onszelf draait, maar om wat Hij van ons vraagt: een leven in gerechtigheid, godsvrucht, geloof, liefde, volharding en zachtmoedigheid. Dat is de ware rijkdom, die God ons wil schenken.
Verlangen naar geld is gevaarlijk, want het bedreigt het geschenk van God. Geldzucht is ook gevaarlijk, omdat we met geld een nieuwe macht over ons leven krijgen. Terwijl een leven met Christus betekende dat we van alle machten, die ons leven bedreigen, bevrijd waren. Geldzucht kan dus de ware rijkdom, die God ons gegeven heeft, bedreigen.

ds. M.J. Schuurman

Samenvatting van de preek, die in tijdens een jeugddienst in de Vredeskerk te Wezep gehouden heb over het thema Maakt geld gelukkig?

Opgestaan omwille van onze rechtvaardiging

Opgestaan omwille van onze rechtvaardiging
Preek 1 mei 2011
Romeinen 4:25

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

(1) Introdctie
Wat wij als christelijke gemeente vieren met Pasen is de opstanding van Christus. We vieren dat Hij de dood overwon.
Er is ook een andere betekenis van de opstanding van Christus. Die verwoordt Paulus in de brief aan de Romeinen: Christus is niet alleen uit de dood opgewekt, maar ook opgewekt omwille van onze rechtvaardiging.
Opgewekt omwille van onze rechtvaardiging – dat is een uitdrukking die wij, denk ik, niet zomaar begrijpen. Het is nodig om uit te leggen wat dat betekent: onze rechtvaardiging. En ook wat de opwekking van Christus uit de dood daarmee te maken heeft.
Het kan dus zijn dat deze preek veel uitleg bevat, maar ik ben van mening dat het ook een meerwaarde heeft om te weten wat Paulus bedoelt met onze rechtvaardiging. Wat Paulus bedoelt met onze rechtvaardiging heeft te maken met de kern van het christelijk geloof.

(2) Uitleg rechtvaardiging
Gisteren deed mijn vrouw boodschappen en had ze de kinderen bij zich. Onze middelste staat in de supermarkt over het algemeen bij een spelcomputer. Dit keer rende hij echter hard naar buiten om op onderzoek uit te gaan in het winkelcentrum. Onze oudste ging achter hem aan. Het was voor haar niet gemakkelijk om te kiezen: moest ze haar broertje achterna of moest ze haar moeder in de gaten houden? Ik weet niet of u zich iets bij deze situatie kunt voorstellen, maar u zult begrijpen dat dit voorval thuis het nodige gespreksstof opleverde. Mijn vrouw had niet alleen de behoefte om alles te vertellen, maar ze had ook de behoefte om de eigen verantwoordelijkheid te nemen. Zeker ook naar onze oudste toe, die oplettend handelde en daardoor in een spagaat terecht kwam. ‘Had ik nou maar…’ Dat is rechtvaardiging: bezig zijn met de eigen rol in het geheel, met onze eigen verantwoordelijkheid. Tijdens het gesprek zij mijn vrouw: ‘Ik reken het mijzelf aan…’ Ze gebruikte een woord dat sterk lijkt op een woord dat Paulus gebruikt in de brief aan de Romeinen: toerekenen, aanrekenen. Rechtvaardiging: wat reken ik mijzelf aan én wat rekent God mij aan?

(3) Oordeel over jezelf
Wanneer je jezelf iets aanrekent, vel je een oordeel over jezelf. Je bekijkt jezelf als het ware van een afstandje en je beoordeelt of je in een bepaalde situatie juist hebt gehandeld.
Mijn ervaring in gesprekken is dat bijna iedereen wel bezig is met een oordeel over zichzelf. Dat gebeurt op verschillende manieren. De een kijkt naar een ander en vraagt zichzelf af: Hoe doet die ander dat? Een drukke baan, een gezin met kinderen en dan ook nog tijd voor de kerk? Nooit wordt er tevergeefs een beroep op hem of haar gedaan. Zo zou ik het ook wel willen, maar op de een of andere manier red ik het niet. Je moet sterk in je schoenen staan om niet het gevoel van falen te hebben.
Omgekeerd: iemand met een drukke baan, een gezin en tijd voor de kerk, waarom doet iemand dat? Van wie moet dat? Is de reden: als ik het niet doe, doet niemand het? Er is van alles in de kerk en dat moet toch gedaan worden?
Onbewust kunnen we de druk opvoeren en bepaalt die druk ons leven. Wie wij zijn, dat heeft dan te maken met wat we doen, welke prestatie wij leveren. Aan de hand van deze prestatie beoordelen wij onszelf: schiet ik niet tekort? Faal ik niet?
Een oordeel over onszelf. Mijn ervaring is dat de meesten nogal hard kunnen zijn in een oordeel over zichzelf. Zeker als ze zichzelf vergelijken met een ander. ‘Ik moet mijzelf groot houden, want die ander kan ook allerlei ballen in de lucht houden.’ ‘Ik moet niet zitten kniezen, want mijn moeder wist ook van aanpakken.’ Zo vellen wij een oordeel over onszelf. We rekenen ons van alles aan.

Ook God velt een oordeel over ons leven.

(4) Gods oordeel over ons leven
Ik heb wel eens het idee dat we als mensen denken, dat God op dezelfde manier oordeelt als wij dat zouden doen.
Als ik aan catechisanten vraag of ze belijdenis willen doen, krijg ik te horen: ‘Ik weet nog te weinig van de Bijbel.’ ‘Ik weet niet of ik mijzelf gelovig mag noemen.’ Alsof er eerst iets aan onze kant moet gebeuren, voor wij onszelf gelovig mogen noemen: als we meer kennis hebben, meer tijd besteden aan Bijbellezen en gebed, als we meer doen voor de kerk.
Als we nogal kritisch zijn op ons zelf (en zeker iemand met een laag zelfbeeld of iemand die van zichzelf perfectionistisch is) vinden we onszelf al snel tekortschieten. We denken dat God net zo’n streng oordeel over ons leven velt als wij zouden doen.
Begrijp me goed: kennis is natuurlijk nooit weg. Het is ook niet verkeerd om geregeld tijd te besteden voor de Here.
Het oordeel dat God velt, gaat niet over onze prestaties. Het oordeel gaat dieper: het gaat over wie wij zijn. Ook al zijn we nogal kritisch op onszelf, wat in Gods oordeel over ons wordt uitgesproken, zullen wij vanuit onszelf niet snel over onszelf zeggen. Het gaat er niet om of wij naar God toe falen, of wij te weinig presteren, maar dat wij lijnrecht tegen over God staan, als goddeloze, als zondaar.

Wij hebben onze oudste dochter een aantal avondgebeden aangeleerd. Een van die gebeden was Ik ga slapen, ik ben moe. Het tweede couplet zingt:

’t Boze dat ik heb gedaan,
zie het, Here, toch niet aan.
Schoon mijn zonden vele zijn,
maak om Jezus’ wil mij rein
.

Op een avond vroeg zij zich af, hoeveel zonden zij die dag gedaan had. Een keer zei ze tijdens het middageten: ‘Gelukkig heb ik vandaag nog geen verkeerde dingen gedaan.’
Zonde heeft wel ergens te maken met de dingen die wij verkeerd doen, maar zonde gaat nog veel dieper.
Om het uit te leggen wil ik naar het voorbeeld dat ik eerder noemde: iemand die van alles doet voor zijn of haar werk, voor het gezin en ook nog eens voor de kerk. Stel, dat iemand als reden aangeeft: ‘Ik doe het, omdat niemand anders dat doet.’ Dat is een oordeel over anderen, die hun verantwoordelijkheid niet willen nemen. Die lui zijn, laks of zelfs koud. Wie zo denkt, hangt zijn identiteit echter vast aan de activiteiten die iemand doet. Volgens Paulus is het geen taak voor ons om te bepalen wie er lui of laks zijn. Dat oordeel komt alleen God toe (Rom. 14). Het is tegelijk een oordeel over onszelf: ‘Wíj doen het tenminste wel. Ze moesten ons eens druk bezig zien.’ Als je zo denkt, verhef je je boven een ander en geef je aan dat je het beter doet dan een ander.
Het is ook een oordeel over God. In de kerk belijden wij dat God zelf er ook een hand in heeft. Hij roept mensen tot hun taak. Als wij vinden dat er niemand is om activiteiten op te pakken, geven we eigenlijk God een motie van wantrouwen. Hij heeft er nog niet voor gezorgd dat er mensen zijn in zijn dienst. En omdat God het niet doet, moeten wij het doen.
Dat is zonde: de omkering van de rollen van God en ons. Dat we diep in ons hart denken dat wij het beter weten en beter zouden doen dan God.
Zonde heeft niet alleen met arrogantie te maken, maar ook met ongeloof. Het ongeloof dat we denken dat God niet werkt. We gaan de dingen doen, die God hoort te doen. Omdat Hij niet op onze manier handelt, kan het in onze ogen niet goed zijn, dus moeten we het op onze manier doen. Het oordeel van God brengt het wantrouwen naar God, dat er in ons zit, aan het licht. Veel mensen vinden geloven te simpel: er moet toch  ook nog iets gedaan worden?

(5) geloof
Geloof betekent: ontvangen wat God ons geeft. Het oordeel over onze goddeloosheid wordt Christus toegerekend. God rekent ons falen, ons tekortschieten, onze goddeloosheid niet toe, maar rekent ons Christus’ zuiverheid, Zijn gerechtigheid aan.
Met het ons aanrekenen van Christus’ gerechtigheid heeft de opstanding van Christus te maken. Door Christus uit de doden op te wekken, liet God zien dat Hij onze goddeloosheid ons niet toerekent. De opstanding van Christus uit de dood is een daad van God. Dat hebben wij niet bedacht. Het gaat buiten ons om.
Opstanding van Christus laat tegelijkertijd zien wat er van ons wordt als Christus’ ongerechtigheid ons wordt toegerekend: wij worden (in dit leven al) opgewekt uit de dood. We worden van dood levend, een nieuwe schepping.
Het oordeel van God over ons leven is geen oordeel dat ons afbrandt, maar een oordeel dat ons tot leven wet. Met Pasen vieren wij de voltooiing van onze bevrijding van alle machten die ons gevangen houden. Pasen maakt ons menselijk: we zitten niet meer op de stoel van God.

(6) Toepassing
Als Christus de macht van de dood overwon, als Zijn zuiverheid ons wordt toegerekend, waarom zouden wij dan nog onder de indruk raken van wat anderen van ons vinden? Het gaat er om hoe God over ons oordeelt. Waarom zouden wij dan voldoen aan normen die de maatschappij ons opdringt als deze normen ons opnieuw knechten en een leven in onvrijheid bezorgen? Waarom zouden wij onze identiteit dan aflezen aan wat wij presteren? Onze rechtvaardiging ligt in Christus. Wie wij zijn dat hangt niet af van onze prestaties.
Onze identiteit aflezen aan onze prestaties heeft een heel hardvochtige kant. Een jongen van 19, die in de puberteit een zeer moeizame relatie had met zijn ouders en die geen enkele opleiding had afgemaakt en geen werk kon vinden, verongelukte toen hij met zijn brommer tegen een boom reed.
Wie wij zijn dat hangt niet af van onze prestaties, maar van onze band met Christus, de levende, die dood was en in de dood ons oordeel op zich nam en dat wegdroeg, maar opstond omwille van onze rechtvaardiging.
Amen

ds. M.J. Schuurman

Kerk spreekt teveel over de mens

Het is de roeping van mijn generatie om de kerk ten grave te dragen (dr. Willem Maarten Dekker). Niet alleen het krasse beeld, maar ook de uitwerking van Dekker riep het nodige op. Door de verontwaardiging, die de bijdrage van Dekker opriep, heeft men zijn verhaal niet goed gelezen. Of men is te weinig op zoek gegaan naar wat Dekker bedoelde. Ik vind het een ernstige zaak dat er slecht geluisterd wordt. Als er een voorwaarde is om missionair te zijn, is dat de kunst van het zorgvuldig luisteren naar wat de ander zegt.
De opmerking dat het nu tijd is om te zwijgen, heeft de meeste weerstand opgeroepen. Zwijgen hoeft geen vorm van onverschilligheid te zijn. Door te zwijgen delen wij in de leegte en de rouw van onze medemens. De Zuid-Afrikaanse schrijfster Marita van der Vyver laat in haar boek Stiltetijd op een pijnlijke manier zien, wat er gebeurt als mensen het rouwen en het zwijgen niet kunnen delen. Na het verlies van hun dochter verliest de echtgenoot zich in activiteiten om het verdriet niet onder ogen te komen en raakt daardoor van zijn vrouw verwijdert. Als wij niet kunnen delen in de leegte en in de zinloosheid van het bestaan zijn we een missionaire belemmering. Ik kom te vaak recensies in christelijke media, die wel de leegte en de zinloosheid duiden, maar tegelijkertijd daarover heen walsen, omdat zij het antwoord al kennen. Een antwoord reeds klaar hebben of staan te popelen om aan de slag te gaan, kan een manier zijn om de eigen verlieservaring (van de secularisatie) te verdringen.
Kunnen wij echter wel spreken over voorwaarden voor een missionaire kerk? De enige basis voor een missionaire kerk gelegen is in het goddelijk handelen. Vanuit de homiletiek is bekend, dat predikanten in een preek de intentie hebben om over God te spreken. Bij feitelijke analyse van de preek blijkt het nauwelijks over God of Zijn handelen te gaan, maar over de menselijke reactie. Ik zie deze (onbewuste) verschuiving ook sterk in de boeken over de missionaire opdracht van de kerk of van de individuele gelovige. Dat is minder onschuldig dan het lijkt. Het geheim, dat iemand tot geloof komt, is namelijk een goddelijk geheim. In de missionaire literatuur is dat geheim van verdwenen. De auteurs weten vaak heel goed wat wel en wat niet werkt om anderen tot geloof te brengen. Desnoods gesteund op wetenschappelijk onderzoek. Als ik gevraagd word voor jeugddiensten of missionaire diensten heeft de commissie al van tevoren duidelijk heeft wat wel en wat niet werkt.
Maar gaan wij dan niet God teveel voorschrijven hoe Hij moet handelen? Alsof wij de voorwaarden kunnen scheppen, waarbinnen God mensen tot geloof brengt. In de reformatorische traditie wordt voor dit mechanisme het woord “zonde” gebruikt. Zonde is de verwisseling van de rollen van God en mens: de mens denkt de taken van God over te kunnen nemen. En dat doet de mens, omdat hij vindt dat God te weinig van zichzelf laat zien. Omdat de mens vindt dat God niet handelt, handelt de mens. Daarmee geven wij als mens niet alleen God een motie van wantrouwen, maar trekken wij ook een te grote broek aan. Wij belasten onszelf, omdat wij de taak van God naar ons toe halen. Zonde is niet een bepaalde fase in ons leven, dat we achter ons laten. Daarom moeten wij de kerk begraven. De kerk begraven is niets anders dan het kruisigen van de oude mens, maar dan toegepast op onze kerkelijke activiteiten. Van alles wat wij zelf hebben opgebouwd en bedacht. De kerk begraven wil zeggen dat wij niet vast zitten kerkelijke structuren. Dat is allemaal mensenwerk. Zoals wij als mens onze rijkdom en onze prestaties niet mee kunnen nemen voor Gods aangezicht, kunnen wij ook niet onze missionaire activiteiten voor Gods aangezicht brengen. Want ook onze beste werken zijn met zonde bevlekt en kunnen in het oordeel van God niet bestaan. Wij kunnen niet over de missionaire opdracht spreken zonder ons ook van onze zondigheid bewust te zijn. Deze bewustwording is een noodzakelijke kritiek op ons missionair handelen en denken.
Wij kunnen als mens dus niet aangeven welk model het beste is om anderen te bereiken. Een kerk die voortdurend nieuwe gemeenten sticht hoeft niet missionair succesvoller te zijn dan een eeuwenoude kerk die zelden nieuwe gemeenten sticht. Elk succes kan, ook al wordt het sociologisch keurig onderbouwt, net zo goed een toevalstreffer zijn. En wie bepaalt wat missionair succesvol is?
Missionair zijn betekent dat God handelt. Zijn handelen is op mensen gericht. Maar al kan God mij gebruiken, Hij is niet van mij afhankelijk. Als wij toch gaan menen, dat God zonder ons niet kan, plaatsen wij ons weer op die positie tegenover God en zijn wij niet minder goddeloos dan onze medemens die leeft zonder God. Want dan geloven we net zo min als de ander in het handelen van God. De toekomst van de kerk hangt niet van ons af, maar van Gods handelen. Dit geloof is geen defaitisme, maar een geloof in God, die niet prijsgeeft wat Zijn hand begon.

ds. M.J. Schuurman