Een hoopvolle toekomst? – Preek Startzondag

Een hoopvolle toekomst? – Preek Startzondag 17 sept 2010
Genesis 15

 
(1) Een hoopvolle toekomst – die verwachten we van de Here. Toch? Daarvoor zijn we hier bij elkaar. Of het nu om onze eigen toekomst gaat of de toekomst van de kerk, we beseffen: de toekomst ligt niet in onze hand. We zouden er achteraan denken: gelukkig maar! Stel je voor dat de toekomst van ons zou afhangen? Stel je voor dat we zelf zouden moeten zorgen voor het slagen van de toekomst… Of voor de toekomst van de kerk…
Bij alles wat ons bezig houdt, onze plannen, onze beslommeringen, weten we: ons leven is in Gods hand. Onze toekomst dus ook. Morgen, overmorgen.
Het zou toch raar zijn als we tegen elkaar zouden zeggen: ‘Eigenlijk, als ik heel eerlijk ben, heb ik er niet zo veel fiducie meer in! Als ik kijk naar de opkomst van het kerkbezoek, de betrokkenheid bij de bijbelkringen of de opkomst bij de activiteiten die worden georganiseerd. Het zou toch raar zijn als we elkaar zouden aanstoten: ‘Een hoopvolle toekomst? Eigenlijk ben ik heel somber over onze gemeente(n)! Daarom hoop ik maar dat de opkomst goed is, want dan hoef ik even geen zorgen te hebben. Dan word ik niet afgeleid door die lege plaatsen in de kerk en kan ik mij openstellen voor wat de Here tegen mij te zeggen heeft. Zo’n lege kerk ontneemt me de vreugde van de boodschap.’

(2) Maar is dat wel zo raar? Want we kunnen over een hoopvolle toekomst spreken, maar overschreeuwen wij daarmee niet onze zorgen? Onze zorgen over de toekomst van de gemeente(n)? Dat we met elkaar vinden dat er zo’n lauwheid is? Kijk maar naar de opkomst als er iets georganiseerd wordt. Die lauwheid werkt belemmerend voor mijn eigen geloof. Ik doe met activiteiten mee, omdat er anders toch niemand komt. Door die lauwheid ga ik met tegenzin naar de kerk of ga ik helemaal niet.
Zonder dat je er erg in hebt, kun je gevangen raken. Dan hoor je nog zo’n mooie boodschap, het evangelie, de boodschap die je zou moeten opwekken, die je boven al je zorgen uit zou moeten tillen. Wat er gebeurt, is echter dat het langs je heen gaat. Het raakt je niet – hoe mooi de boodschap ook is. De pijn, de teleurstelling van wat je om je heen ziet, daar kun je je ogen niet voor sluiten. Al zou je het misschien wel willen. De zorgen kunnen toch niet ontkend worden?
Wat moeten we er aan doen? Iets organiseren? Dat hebben we al geprobeerd. Het werkte net. Wat we ook probeerden, het is op niets uitgelopen. Helemaal niets? In ieder geval was het heel weinig. Een hoopvolle toekomst? Maar wat moet de Here ons dan geven?
Dat is ook wat Abram aan de Here vraagt.

(3) Dat is ook wat Abram aan de Here vraagt. Het is de Bijbel, dus het staat er netjes. Zegt Abram niet tegen de Here: ‘Houd u mij alstublieft geen worst voor! Maak mij niet blij met een dode mus!’ Het komt op mij over, alsof Abram niet eens op Gods belofte zit te wachten. Wat heeft hij aan een hoopvolle toekomst? Hij is toch al bijna dood. Nu heeft het geen zin meer. De enige vraag die nu nog telt is: wie neemt het stokje over? Het werk van God loopt op dit moment dood. Wat heeft het nog voor zin dat de Here hem beschermt tegen zijn vijanden en dat de Here hem zegent? Het is alsof Abram tegen de Here zegt: ‘Laat me maar met rust. Het is toch al bijna afgelopen.’ Abram kan alleen nog maar klagen.
Wie zou hem ongelijk geven? Hij ziet het al voor zich: zijn slaaf, zijn vertrouweling Eliëzer moet met de zaak verder gaan. Afgelopen. De naam van Abram zal uit de geschiedenis worden gewist. Net als de naam van de Here.
Dat staat toch op het spel als de kerk zou verdwijnen? Namelijk de mogelijkheid om hier in Ilpendam en Watergang, in de regio Waterland in contact te komen met God en zijn woord?

Aan wie ligt dat? Abram weet het en zegt het ook ronduit: dat ligt aan U, Here! Als U mij een zoon gegeven had, had ik hier niet zo vol twijfel en teleurstelling gezeten!
Alle bitterheid komt eruit.

(4) Nu de Here zelf aan hem verschijnt, zegt hij het tegen God. Ronduit. Nú komt hij met zijn verhaal. Nu raakt hij in gesprek met de Here. Eindelijk.
Dat was al even geleden. Wat had hem weerhouden om het gesprek met de Here te zoeken? Om de Here te zoeken in gebed? Was het twijfel of God nog wel zijn belofte zou vervullen? Was het drukte vanwege de strijd die gevoerd moest worden?
Nu komt de Here hem voor de voeten lopen. ‘Abram, vergeet je niet iets?’ De Here komt op een ongelukkig moment. Abram heeft net met een indrukwekkend gebaar afstand gedaan van de buit. Geen salaris of honorarium, want de Here zou hem zegenen.
Abram, ben je niet iets vergeten met dat grootse gebaar van je? Ik had gezegd dat
Ik je zou zegenen. Geloof je dat nog wel? Abram, nu ben Ik er. Voor jou. Je hoeft het niet meer zonder mij te doen.
Dit zijn geen loze woorden, maar woorden met kracht. Zoals de Here later zijn profeten zou sturen naar zijn volk: het woord geschiedde…Deze woorden van de Here storen Abram, onderbreken hem. God komt niet gelegen. Ondanks zijn belofte. Wat doet u hier? Waarom komt u ons hinderen?

(5) Als de Here ‘Ik’ zegt, kan Abram dat ook. Ik. Hij heeft ook wat te zeggen. Vol zelfbeklag staat hij daar. Nu U er toch bent, kijk eens hoe het mij vergaat?
Gemeente, weet u wat het mooie is? Zo werkt God. Als Abram vastzit in de teleurstelling, gevangen zit, als Abram niets meer gelooft van die belofte, want wat ziet hij ervan? – dan zegt de Here tegen Abram: Kijk eens omhoog. Kijk eens goed. Zie je die sterren? Zo groot wordt jouw nageslacht. Abram, die zorgen drukken je terneer. Je denkt teveel aan de toekomst. Je waant jezelf al haast dood. Je ziet Mij niet. Kijk dan!
Weet u, de Here Jezus sprak ook over zorgen. Weet u wie zich volgens Hem zorgen maken? Dat zijn de heidenen. Die gaan gebukt onder een last, want zij geloven ten diepste niet dat God werkt en dat zij het dus zelf moeten doen. Daardoor rennen de heidenen aan zichzelf voorbij. Ze zijn zo druk met het voor elkaar krijgen. Dat moeten jullie als Mijn volgelingen niet doen! Weet je wat je moet doen? Kijk naar de vogels en de bloemen. Zo zal de Here voor jullie zorgen.
Je kunt je zorgen maken over de kerk van 2050. Of onze kinderen en kleinkinderen nog wel naar de kerk gaan. Kunnen wij die toekomst dichterbij halen? De toekomst komt uit Mijn hand, zegt Christus. Je hoeft alleen maar te ontvangen. Kijk maar naar wat ik doe.
Met al onze activiteiten liep Abram de Here voor de voeten. Hij liep zelfs bij de Here vandaan! En wij, met onze activiteiten? Lopen wij de Here daarmee niet voor de voeten? Zijn wij niet te veel bezig met wat anderen niet doen, te weinig doen, te laks doen? Kijk om je heen om te zien, naar het werk van God in het leven van anderen, in je eigen leven…

(6) Wat zag Abram dan? De sterren. Terwijl Abram de nacht inging, de eenzaamheid, moest hij van de Here opkijken. De sterren! In het plotseling opkomende donker flonkerden miljoenen sterren. Terwijl Abram voor zijn gevoel er alleen voorstond, liet de Here zien dat Zijn werk nog doorgaat. We hebben met elkaar beleden over Christus: Zijn koninkrijk kent geen einde!
We zijn nu in aanwezigheid van de Here. Voor zijn troon, voor zijn aangezicht. In aanwezigheid van Hem die alles regeert en de engelen voor zijn troon. Staan we er alleen voor? Is het bijna afgelopen? Kijk omhoog! Naar de heerlijkheid des Heren. Als we anderen hierover vertellen, is dat niet omdat dat moet, maar omdat wij Gods heerlijkheid hebben gezien! Omdat we overweldigd zijn, dat wij voor zijn aangezicht staan. We zijn in aanwezigheid van de Here! Nu op dit moment. De hemel is open en wij mogen Hem aanschouwen! Kijk omhoog! Naar Zijn macht en heerlijkheid. We zijn in zijn aanwezigheid!
Amends. M.J. Schuurman

Advertenties