Geen veroordeling (Meditatie Romeinen 8:15)

Geen veroordeling

Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. (Romeinen 8:15)

Vertrouwde bijbelteksten kunnen in een andere omgeving opeens een nieuwe betekenis krijgen. Wie bijvoorbeeld in Israël is geweest, kan de bijbelverhalen met nieuwe inzichten lezen. Je kunt dan de verhalen bewuster lezen. Je hebt op die plaats gestaan! Je kunt beter voorstellen hoe dat geweest moet zijn.

De bijbel met andere ogen lezen – dat kan ook gebeuren als je in contact komt met een andere cultuur.
Wie deze tekst van Paulus leest na een ontmoeting met een Arabier ontdekt in deze tekst een verrassende diepte.
Wat Paulus ons schrijft is bekend: we mogen God aanspreken als onze Vader. Veel gelovigen zullen in hun gebed God ook op die manier aanspreken: trouwe Vader in de hemel, hemelse Vader, onze Vader die in de hemelen zijt.
Een moslim kan God niet als (zijn) Vader aanspreken. In de islam heeft God 99 namen – maar die ene naam Vader zit daar niet tussen. De vertrouwde omgang met onze hemelse Vader kennen moslims niet.
Er speelt nog iets anders. Arabieren zien zichzelf als afstammeling van Ismaël, de andere zoon van Abraham. Deze zoon Ismaël wordt verbannen. Volgens het gebruikelijke familierecht was hij de oudste zoon. Degene die de familietraditie zou voortzetten. Degene die alles zou ontvangen. God geeft Zijn zegen echter aan Izaäk.
Terwijl Izaäk opgroeit, merkt Ismaël dat hij plaats moet maken voor zijn jongere (half)broer. Om die schande af te wenden, bespot hij zijn jongere broer. Daarop worden Ismaël en zijn moeder Hagar weggestuurd.
De Arabieren zijn dan afstammelingen van de verbannen zoon. Om hen heen hangt de schande van het verstoten zijn door de vader.
Deze vader, die zijn oudste zoon verstoot, is de stamvader van alle gelovigen. Horen de afstammelingen van die verstoten zoon Ismaël er wel bij?
Terug naar de tekst van Paulus. Hij spreekt over de Heilige Geest, die ons God leert aanbidden als onze Vader. Hoofdstuk 8 begint ermee, dat er geen veroordeling meer is, omdat Christus die veroordeling heeft weggedragen. In Christus is er geen veroordeling meer. Geen bastaards meer, geen slavenkinderen, maar geaccepteerd als ware kinderen van God.
Door Christus mogen de verstoten kinderen weer (in genade) aangenomen worden.

Niet alleen Arabieren, maar ook wij. Wij kunnen het idee hebben dat wij niet meer bij God horen. Wij kunnen onszelf beoordelen: ik doe dit niet goed, ik kan het niet! Eigenlijk veroordelen wij daarmee onszelf. Dat is niet meer nodig. In Christus wordt er geen negatief oordeel meer over ons geveld. We worden gezien als kinderen van God. We worden door onze hemelse Vader behandeld als zijn eigen kinderen.
Wie over zichzelf oordeelt, mag leren dat uit handen te geven. Als onze hemelse Vader ons aanneemt als Zijn kinderen, waarom zouden wij ons dan nog veroordelen.

De dichter Jochen Klepper (1902-1943) worstelde hier ook sterk mee. Hij was heel perfectionistisch en daarom kwam er weinig uit zijn handen. Veel van zijn plannen (bijvoorbeeld de boeken die hij wilde schrijven) strandden na de planning. Hij trok het zichzelf aan.
Wie zichzelf beoordeeld met strenge normen, denkt dat God dat ook doet. Dwars door alle oordelen die Klepper over zijn eigen leven velde, komt het oordeel van God. Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn. (Romeinen 8:1) Hij ontdekte dat ook voor zijn eigen leven. In een van zijn liederen (opgenomen als Gezang 130 in het Liedboek) verwoordt hij: zijn oordeel – je zou verwachten: zijn oordeel is rechtvaardig en streng of misschien wel hard. Nee, hij schrijft: zijn oordeel is genade. Dat is het! Niet een strenge, afwijzende houding, maar een liefdevolle acceptatie: wij zijn weer kinderen van God. Zo kijkt God naar ons leven: met de ogen van Christus. We hebben – door Christus – genade gevonden in Zijn ogen.

                        Ds. M.J. Schuurman

Geschreven voor: De Kerk thuis