Luther en de Joden

Luther en de Joden

In de 20e eeuw is het Joodse volk hard getroffen door de Shoah. In de aanloop naar deze gebeurtenis werd enkele geschriften van de reformator Luther gebruikt om het antisemitisme te verdedigen.
Dit gegeven maakt het bepaalde mensen onmogelijk om nog iets goeds over Luther te zeggen. Vorig jaar hoorde ik van iemand die het lied Een vaste burcht pertinent niet wilde zingen. Vanwege deze reden.
Dat de relatie tussen Luther en de Joden een heikel thema is, bewijst ook de heftige discussie die enkele jaren geleden gevoerde werd n.a.v. het boek van de Joodse theoloog René Süss.
Het thema Luther en de Joden is vandaag de dag om nog een andere reden actueel. Steeds meer duikt de visie op, dat godsdienst leidt tot geweld, uitsluiting en onderdrukking. Alleen daarom al is het goed om stil te staan bij de volgende vragen: Wat zijn de feiten? Hoe moeten wij daarmee omgaan?

De feiten
Luther heeft zich zowel positief als zeer negatief uitgelaten over de Joden. Een van de laatste geschriften die Luther schreef, was een Vermaning tegen de Joden (opgenomen in deel 51 van de Weimarer Ausgabe). Daarin komt de dubbele houding naar voren: aan de ene kant moeten de christenen hun liefde laten blijken voor de Joden in daden en voor hen bidden. Tegelijkertijd beschrijft hij dat hij in de dorpen veel Joden tegenkomt, die hem een koude rilling bezorgen.

Het meest beruchte boek van Luther over de Joden is zijn geschrift uit 1543: Over de Joden en hun leugen (Weimarer Ausgabe, deel 53, p. 417-552). Hierin beschrijft hij, dat de christen buiten de duivel om geen ergere vijand heeft dan de Jood. Zij hebben de Heiland gedood en weigeren nog steeds om tot bekering te komen. Hij pleit ervoor de ban aan de Joden te voltrekken (Deuteronomium 13:16): om de huizen te verwoesten en hen buiten het maatschappelijke leven te plaatsen.

De anti-Joodse houding van Luther is niet beperkt tot de laatste jaren van zijn leven. Ook in zijn vroege periode komen al anti-Joodse uitspraken voor, bijvoorbeeld in zijn Dictata super Psalterium (1513-1515).

In 1523 schrijft Luther een geheel ander geschrift: Dass Jesus Christus ein geborener Jude sei. Hij publiceert dit geschrift als reactie op de beschuldiging, dat hij niet meer zou geloven in de maagdelijke geboorte. In dit geschrift geeft Luther aan dat christenen niet altijd op de goede manier met Joden zijn omgegaan. Men heeft hen vaak als honden behandeld. Hij pleit vanuit missionair oogpunt voor integratie van de Joden in de samenleving: men moet hen niet bepaalde ambachten verbieden.
Hij is kritisch op het Joodse geloof: het is vooral een geloof waarin je moet werken voor je eigen heil. Daarnaast geeft hij aan, dat christenen het Hebreeuws moeten gaan beheersen om het Oude Testament te begrijpen.
Soms komt hij Joden tegemoet in hun kritiek. Hij schroomt er niet in de voor christenen belangrijke tekst Jesaja 7:14 te veranderen. Traditioneel las men hier maagd (vanwege de maagdelijke geboorte). Luther verandert dit woord in jonge vrouw.

Duiding
Waar komen deze wisselende reacties op het Jodendom vandaan? Men heeft verschillende opties naar voren gebracht:

(1) Luther was teleurgesteld geraakt in de Joden.
Hij dacht dat zij zich zouden aansluiten bij de Reformatie. Het tegenargument: Luthers houding komt al in zijn vroege geschriften voor.

(2) Luther week niet af van de geest van zijn tijd.
Gelijkluidende stemmen vindt men ook bij Reuchlin, Erasmus, Van Eck. Tegenargument: andere theologen als Melanchton en Osiander zijn veel positiever naar de Joden geweest.

(3) Luther heeft vooral theologisch geargumenteerd.
Zijn visie op de Joden wijkt niet af van zijn visie op de heidenen, de Turken en de heksen. Bovendien beschouwde hij deze groep vanuit zijn eigen theologie. Hij zag in de Jood het type gelovige, waartegen hij zich juist verzette: de zondige mens, die zichzelf als gelovig bestempelt en die denkt vanuit zijn eigen handelen bij God te kunnen uitkomen.

(4) Beroep op de Bijbel
Hans-Martin Barth draagt een ander argument aan: in discussie met zijn tegenstanders kon Luther zich altijd beroepen op de Bijbel. In de discussie met de Joden ging dat niet. Zij hadden een kleinere bijbel en accepteerden dat gezag niet. Luthers verzet tegen de Joden heeft vooral te maken met zijn visie op wat de Heilige Schrift is. Volgens hem was het duidelijk, dat heel de Schrift heenwijst op Christus. Ook het Oude Testament (christologische Schriftvisie) Hij was geen rabiaat antisemiet, maar was bang dat in die tijd van crisis christenen zouden overgaan naar het Jodendom.

Barth wijst erop, dat de geschriften van Luther niet kritiekloos kunnen worden overgenomen. Vanuit dit thema vraagt Hans-Martin Barth zich af of ook niet Luthers Schriftvisie onder kritiek moet worden gesteld. De christologische Schriftvisie is te beperkt. Heeft Luthers negatieve houding ten opzichte van de Joden er ook niet mee te maken, dat Luther weinig doet met de triniteit?

In ieder geval is duidelijk. Luther is geen heilige. Ook hij heeft het nodig heeft om als goddeloze rechtvaardig gesproken te worden.

N.a.v. Hans-Martin Barth, Die Theologie Martin Luthers. Eine kritische Würdigung (Gütersloh: Gütersloher Verlagshaus, 2009) p. 49-63

Aanbevolen literatuur
* Thomas Kaufmann, Luthers “Judenschriften” in ihren historischen Kontexten (Göttingen, 2005) – Kaufmann is een expert op het terrein van de lutherse traditie in de 16e en de 17e eeuw.
* Peter von der Osten-Sacken, Martin Luther und die Juden – neu untersucht anhand von Anton Margarithas “Der gantz Jüdisch glaub”(1530/31) (Stuttgart, 2002). – Von der Sacken-Osten heeft veel onderzoek gedaan naar de christelijke wortels van het antisemitisme.