Gerd Theissen, Bijbeldidactiek (hoofdstuk 1 – voorlopige vertaling)

Gerd Theißen

Vertaling: Matthijs Schuurman

Vertaling van Zur Bibel motivieren. Aufgaben, Inhalte und Methoden einer offenen Bibeldidaktik. © Chr. Kaiser / Güterloher Verlaghaus GmbH, Gütersloh 2003.

Opgedragen aan Hartwig Thyen vanwege zijn 75e verjaardag

Voorwoord

Het is niet nodig om een reden te geven, waarom een exegeet een didactiek van de Bijbel schrijft. Hij doceert over bijbelteksten en motiveert anderen om de Bijbel te bestuderen. Hij is voortdurend  met didactiek van de Bijbel bezig. Toch is er tot nu toe geen didactiek van de Bijbel van een vakexegeet. Het zijn bijzondere redenen, die mij aanzetten om dit boek te schrijven.

Als eerste moet een persoonlijke reden genoemd worden. In de jaren 70 heb ik godsdienstles en Duits gegeven aan een gymnasium. Ik was graag leraar en ook aan de universiteit heb ik mijzelf altijd als een leraar beschouwd. Deze didactiek van de Bijbel geeft rekenschap over datgene, wat ik al jarenlang beroepsmatig doe: het geeft rekenschap over het lesgeven in de Bijbel. Dit boek grijpt terug op gedachten en ervaringen, die ik sinds de tijd dat ik leraar was, wilde uitwerken. Het vraagt: hoe kan men de Bijbel doorgeven aan de volgende generaties – en dan op vele manieren: als meditatieve tekst, als normatieve basis van de christelijke gemeenschap, als cultuurhistorisch document? Didactiek van de Bijbel is een weg om mensen te winnen voor het lezen en bestuderen van de Bijbel.

De Bijbel behoort tot de culturele basisinformatie van onze maatschappij. Maar slechts enkelen zijn zich bewust gebleven, dat men dit boek moet kennen; ook als men haar niet als preektekst hoort. Een didactiek van de Bijbel vraagt: waarom moet elk intellectueel mens de Bijbel bestuderen? Waarom ook diegenen, die geen enkel verband hebben met het bijbelse geloof? Waarom gaat er iets onherroepelijks verloren als men dat niet doet? Antwoorden op deze vragen zijn de opgave van een Didactiek van de Bijbel. In het bijzonder die van een open didactiek van de Bijbel, die zich niet alleen richt op degenen, die een christelijke opvoeding hebben gehad.

Zelfs binnen de kerken is de Bijbel omstreden. Het hoogachten van de Bijbel geldt vaak als een teken van een conservatieve mentaliteit. Als er in de theologische discussies een pleidooi wordt gehouden voor een bijbelse (of zelfs een ‘bijbelgetrouwe’) theologie, gaat daar over het algemeen een verzet tegen de tijdgeest schuil – slechts zelden een profetisch geïnspireerde oppositie tegen de tijdgeest. De liefde voor de Bijbel is het zwakst in liberale, intellectuele tradities. Een open didactiek van de Bijbel richt zich vooral op hen en op de progressieve, kritische oppositie. Deze didactiek van de Bijbel wil de vertegenwoordigers van een christendom, dat open is naar de wereld toe, winnen voor een liefde voor de Bijbel. Conservatieve christenen en theologen hoeft men niet te overtuigen van de betekenis van de Bijbel.

Ook in het protestantisme is het nodig om te overtuigen van de waarde van de Bijbel. Traditioneel stond binnen het protestantisme de Bijbel in het centrum van het persoonlijk geloof. Vandaag de dag zoekt men naar andere inspiratiebronnen in de godsdienstfilosofie en kunst, liturgie en spiritualiteit, in ethiek en meditatie. De toenadering tot het katholicisme is toe te juichen, evenals de ontdekking van de Bijbel binnen het katholicisme. Maar de geringe waardering van de Bijbel is een teken van gebrek aan vitaliteit van het protestantisme. De Bijbel speelt in het protestantse volwassen onderwijs of universiteiten nauwelijks een rol, hoewel de bijbelstudies op de Kirchentagen goed worden bezocht. Op deze landelijke dagen was er zelfs een toename van het aantal mensen, dat zich bezig houdt met de Bijbel!

Beide confessies hebben dezelfde moeilijkheid om in een seculiere wereld de waarde van de Bijbel begrijpelijk te maken. Beide confessies zien zich ook geroepen om de Bijbel in de dialoog met de andere godsdiensten opnieuw te lezen.: Joden en moslims beroepen zich op de Bijbel. Boeddhisten en hindoes ontlenen ideeën aan de Bijbel. Het is vooral de dialoog met de andere godsdiensten die er voor zorgt, dat christenen en geseculariseerde tijdgenoten uit landen, die door het christendom zijn beïnvloed, zich opnieuw gaan bezig houden met hun eigen basis en tradities.

Op dit moment worden de principiële overwegingen over de Bijbel binnen de theologie meestal in de vorm van een hermeneutiek gepubliceerd, als leer van het begrijpen in het algemeen en van de Bijbel in het bijzonder. In de hermeneutiek gaat het om de vraag, hoe een tekst, die in het verre verleden is ontstaan vandaag de dag opnieuw toegankelijk kan zijn en zo zijn invloed kan laten gelden. Hermeneutiek houdt zich bezig met zulk begrijpen. Maar meestal is zij ver verwijderd van het lezen van de Bijbel. De hermeneutiek verrijkt niet de situaties, waarin de Bijbel daadwerkelijk begrepen of misverstaan wordt. Als ik in deze didactiek van de Bijbel uitga van praktische vragen en deze vragen behandel, doe ik dat om de principiële overwegingen in relatie tot de praktijk te bespreken.

Bij het schrijven van dit boek ben ik het dilemma van de wetenschap, die zich op de praktijk richt, nadrukkelijk tegen gekomen: men moet les geven, ook als men geen bevredigende didactiek heeft. Aan hoeveel kennisterreinen raakt de didactiek van de Bijbel wel niet! Hermeneutiek, de geschiedenistheorie, godsdienstwijsbegeerte en –psychologie, sociologie en ontwikkelingspsychologie, godsdienstpedagogiek en onderwijstheorieën, totaalconcepten van een bijbelse theologie en godsdienstgeschiedenis, een theorie van de moderniteit, een begrip van de moderne mentaliteitsstromingen. Niemand kan dit in zijn eentje met dezelfde diepgang beheersen. Bovendien is het vaak moeilijk om heterogene theoriefragmenten in een overtuigend geheel te integreren. Toch vereist verantwoordelijk handelen, dat men zich rekenschap geeft over doelen, inhouden en methoden van zijn handelswijze geeft en dat naar eer en geweten.

Het ontstaan van dit boek noopt mij om velen te bedanken. Ik bedank degenen, die het eerste ontwerp van dit boek kritisch hebben gelezen en becommentarieerd. Uit de universitaire wereld noem ik in het bijzonder Heinz Schmidt, Helmut Schwier, Hanna Roose en Annette Merz. Uit het praktijkveld noem ik Helmut Mödritzer, die reeds vanaf de eerste ontwerpen betrokken is, evenals twee schooldecanen: Barbara Köhrmann en Ralph Hochschild. Erg belangrijk voor mij was de gezamenlijke cursus met H. Schwier over het thema van dit boek en over het eerste concept van dit boek. Alle studenten, die direct of indirect opmerkingen hebben gemaakt of tips hebben gegeven, wil ik hartelijk bedanken. Voor de vormgeving en de verwerking van het manuscript ben ik dank verschuldigd aan Anke Geisdorf en Kristina Wagner. Nadrukkelijk wil ik vermelden, dat de psychologische uiteenzettingen (in het bijzonder als het gaat om de methodiek) ontstaan zijn na de vele gesprekken met mijn vrouw. Toen ik de eerste ideeën van dit boek opschreef, gaf zij les in de pedagogische psychologie. Intussen werkt zij al lange tijd als psychotherapeute.

Ik draag het boek op aan professor Hartwig Thyen, al jarenlang mijn collega. Zijn hele leven heeft hij mensen warm proberen te maken voor de Bijbel – zowel  voor de Bijbel als basistekst van het geloof als voor de Bijbel als een stuk indrukwekkende literatuur.

Heidelberg, oktober 2002                                       Gerd Theißen

Hoofdstuk 1

Inleiding:

Taken van een open didactiek van de Bijbel

Wie zich iedere dag wetenschappelijk met de Bijbel bezig houdt, heeft weinig reden om na te denken over de motivatiekracht van de Bijbel. De Bijbel is immers zijn levenselement. In haar leeft hij, ademt hij, denkt hij. Kan hij zich eigenlijk wel voorstellen, dat er mensen zijn, die niet gemotiveerd zijn om zich bezig te houden met de Bijbel? Hij onderzoekt haar betekenis in haar historische context en vertrouwt erop, dat zij ook vandaag de dag in motivatie voor het leven verandert. Maar dat is niet vanzelfsprekend.

In de eerste plaats moet men vragen: welke Bijbel motiveert hem?[1] Als belijdenisboek is zij een boek van de kerk: in elke kerk ligt op elke kansel of op elk altaar de Bijbel. Op deze manier is zij een zichtbaar symbool van het vertrouwen, dat zij een kans is om in contact te komen met God. Zij is preektekst, legitimeert beslissingen, fungeert als grondslag voor de theologie. Contact met God belooft zij ook als meditatieboek in het persoonlijke leven – daar waar oplossing en lectuur aanwezig is. Zij leidt vaak een verborgen leven, als het bijbelse spraakgebruik in de alledaagse bewustzijnsstroom wakker wordt: ‘De Heere is mijn herder, mij zal niets ontbreken.’ Of als men met betrekking tot verkeerd gedrag de volgende woorden uitspreekt: ‘En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren!’ Tenslotte werkt vormingsboek in de maatschappij: als onderwerp van de les en wetenschap. En dat niet alleen in de wetenschap of in het godsdienstonderwijs, maar ook in de literatuurwetenschappen en de kunstgeschiedenis, in de ethiek en binnen de geschiedeniswetenschap. Eeuwen lang heeft zij de kunst geïnspireerd en ook vandaag de dag inspireert zij nog grote kunstenaars. Als een wetenschappelijke exegeet motiveert om haar te bestuderen, dan bedoelt hij de Bijbel als vormingsboek. Maar het is nog veel belangrijker, dat zij op alle terreinen een eigenzinnig boek is. Veel van haar ideeën zijn binnen de kerk niet bruikbaar. Wie vorming verwacht, wordt vaak teleurgesteld. Als onderdeel van de algemene vorming neemt zij veel ruimte in.

Juist als men van dit boek houdt, heeft men redenen voor didactische overwegingen met betrekking tot de Bijbel. Didactiek is de reflectie over welke voorraden van weten en kunnen wij doorgeven aan toekomstige generaties, met welk doel en met welke keuzes en in welke volgorde.Lange tijd was het onomstreden dat de volgende generaties de Bijbel als belangrijk cultureel boek en als basis van het geloof moest kennen. Vandaag de dag moet men dat beargumenteren. Deze beargumentering is niet alleen nodig voor het onderwijs op de scholen, maar voor de hele cultuur, voor de studie, voor het volwassenenonderwijs, voor de massamedia en de persoonlijke vorming van individuen.

Veel godsdienstonderwijzers en predikanten hebben bij het godsdienst- en bijbelonderwijs de wind tegen. We ondervinden een  toenemende secularisering.[2] In de grote steden als Hamburg en Berlijn wordt nauwelijks de helft van de geboren kinderen gedoopt. 83 % van de jongeren ging in 2000 niet meer naar de kerk.[3] De boodschap van een liberale cultuurtheologie, die verder reikt dan de kerk, stoot op scepsis. Alleen in het kerngebeid brokkelt het af, terwijl het echter in de breed geaccepteerde sociale en vormende werk voortleeft.[4] Dat ook de Bijbel behoort tot de onderdelen, die alle seculariseringsgolven overleeft, hoort men niet in cultuurtheologische kringen. Kunstschatten zijn in hoger aanzien. Godsdienst in de popmuziek maakt meer indruk dan de Bijbel. Juist daarom zou de cultuurtheologische these, dat de algemene seculariseringstheorie zou baseren op zelfbedrog, een kern van waarheid kunnen beavtten.

Een net zo plausibel inzicht zegt: wat secularisering lijkt te zijn, is in werkelijkheid pluralisering.[5] Het valt de grote kerken met hun interne pluraliteit zwaar om mensen aan zich te binden. Daardoor bloeien de kleine gemeenschappen, die een duidelijker profiel van het christelijke leven en van intensievere interne zekerheden aanbieden, op – evenals de religieuze groeperingen buiten het christendom, zodat velen spreken van een terugkeer van de religie. Theologiestudenten hebben vastgesteld dat er in een grote stad ’s zondags meer mensen in kleine religieuze gemeenschappen bij elkaar komen dan in de katholieke en protestantse diensten samen! Veel van deze gemeenschappen komen bij elkaar rond de Bijbel. Men moet dit ter harte nemen: hoewel het einde van de godsdienst al 200 jaar geleden voorspeld is, is dit einde nog niet genaderd. Al meer dan een eeuw geldt: ‘Friedrich Nietzsche zegt: God is dood!’ (Hij bedoelde daarmee de God van de Bijbel.) Maar ook al meer dan 100 jaar geldt: ‘God zegt: Nietzsche is dood.’[6] De godsdienst leeft verder – als schaduw van de secularisering, als gedistantieerde christelijkheid, als volkskerkelijke religiositeit. De godsdienst leeft ook verder in mensen, die bewuste bewoners van deze moderne wereld zijn, in hun verlangen (Sehnsucht) naar het gans andere, dat de mensen steeds weer aandrijft. En last but not least: in de onverstoorbare bijbellezers.

Didactiek van de Bijbel werft bij deze doelgroep voor een omgang met de Bijbel. Aan de ene kant strijdt het godsdienstonderwijs ervoor om niet met de Bijbel en de kerk aan de rand gezet te worden. Aan de andere kant willen de mensen vast houden aan de Bijbel als een kans om zich bezig te houden met religieuze of ethische vragen, omdat deze vragen op veel terreinen verdrongen worden. De Bijbel leeft zowel uit de kracht van het verdrongene als uit het overblijfsel van religieuze vragen. Een cultuurtheologie moet dat gegeven in zich opnemen. Zij vergist zich als zij de Bijbel alleen maar beschouwt als een fletse vorm van een kerkelijk vormgegeven christendom. Didactiek van de Bijbel heeft in deze situatie de taak ook binnen de kerk te werven voor de Bijbel. Hier komt men vaak slaapverwekkende bijbelmoeheid tegen. Dat is geen kritiek op de Bijbel, maar eerder een kritiek op veel kerken! Didactiek van de Bijbel zou dat niet moeten aanvechten. Zij mag zich vastberaden wijden aan haar taak, namelijk dat de volgende generaties, de publieke opinie en de school zich gaan bezig houden met de Bijbel en de rechtvaardiging van de Bijbel.

Didactiek is verantwoording afleggen aan de toekomstige generatie. Onderzoeken laten zien, dat de Bijbel als kinderboek succesvol is. Jongeren zien de Bijbel echter eerder als een boek dat belangrijk is voor oude mensen en mensen met problemen.[7] Zij stuit bij hen niet spontaan op interesse. Dat rechtvaardigt niet, dat godsdienstonderwijzers er mee ophouden om in de les te werken met bijbelteksten. Een studente vertelde mij, dat zij in 9 jaar godsdienstonderwijs geen enkele keer de Bijbel heeft open geslagen! Dat bevestigt de indruk, dat de moderne wereld zich in een hoog tempo zich ontdoet van tradities zoals de Bijbel.[8] Maar het steeds snellere ‘verbruik’ van tradities heeft een paradoxaal effect: hoe ouder een traditie is, hoe minder zij wordt aangetast door het wervelen van de modernisering. De ideeënwereld van Jeruzalem en Athene verwijdert zich langzamer uit het heden dan de nieuwste ideeën uit New York. Daarom kan men de eerste vraag van elke didactiek van de Bijbel, namelijk welke redenen wij hebben om de omgang met dit boek bij de volgende generaties in het derde millennium na aan het hart te leggen, waarschijnlijk gemakkelijker beantwoord worden dan de vraag welke selectie aan moderne literatuur wij aan onze kinderen zullen meegeven.

De wil om de Bijbel door te geven aan de volgende generaties moet zich verder in de openbaarheid rechtvaardigen. Didactiek is een hulp bij de beargumentering van conflicten in de politiek over de vorming. Alle groeperingen in de maatschappij hebben er baat bij, dat de voor hen belangrijke kennisvoorraden worden opgenomen in het leerplan. De kerken willen dat de Bijbel in het neutrale vak  Levenskunde, Ethiek en Religie wordt opgenomen (zoals in Brandenburg). Zij willen tegelijkertijd dat zij wordt aangereikt in het godsdienstonderwijs door mensen, die jongeren kunnen begeleiden in hun zoektocht naar hun eigen identiteit. Zij vragen terecht: hebben jonge mensen niet ouderen nodig, die boven de minimale consensus van een open maatschappij uit stelling nemen ten opzichte van levensvragen en daar persoonlijk achter staan? En is deze minimale consensus zo vanzelfsprekend: verantwoordelijkheid voor de geschiedenis, onaantastbaarheid van de menselijke waarde, solidariteit onder de mensen, achting voor de natuur? Moet men niet de bijbelse ‘story’ achter deze woorden kennen: verantwoording voor God, de mens als beeld van God, het gebod van de naastenliefde, de opdracht om de schepping te bewaren? De tweede principiële vraag van elke didactiek van de Bijbel is daarom: hebben wij redenen  om tot de plicht van de gehele maatschappij te maken om zich bezig te houden met de Bijbel als een basistekst van onze cultuur – ook daar waar zij niet meer als preektekst wordt gehoord?

De wil om de Bijbel aan de volgende generaties door te geven moet vooral de docenten overtuigen.[9] Didactiek is de motivatiehulp voor docenten. Zij omvat alle overwegingen, die docenten nodig hebben om zichzelf te motiveren in het motiveren van anderen. Men overtuigt alleen als men zelf overtuigd is.[10] En dat geldt niet alleen voor de school, maar ook voor de theologiestudie. In de discussie over de reorganisatie van de theologiestudie zijn er tendensen om het aandeel van de vakken, die zich bezig houden met de Bijbel te beperken ten gunste van de vakken, die meer op het heden gericht zijn.[11] Men bespeurt een scepsis, of de studie van de Bijbel werkelijk wel datgene biedt, wat men ervan verwacht had. Men mag in dat geval de volgende uitspraak van W. Biermann boven zijn bed hangen: ‘Men moet het licht van de Bijbel niet onder een korenmaat plaatsen. Want de Bijbel bevat niet weinig elementen, die men vandaag de dag misschien nog wel eens goed zou kunnen gebruiken. De Bijbel is en blijft het belangrijke boek vol ervaring van de mensheid. (…) De Bijbel is het eerste grote, compendium, waarin alle ervaringen, die wij mensen met elkaar, onder elkaar en met de wereld kunnen hebben, zijn beschreven – ook zonder onze lieve Heer. Daarom behoort de Bijbel net zo goed aan mij toe als aan hen.’[12] Daarom is de derde vraag van een didactiek van de Bijbel: hebben wij redenen om leraren en docenten ervan te overtuigen, dat godsdienstonderwijs niet alleen levenskunde zal zijn, maar dat het ook de moeite loont om zich bezig te houden met de Bijbel, als men jonge mensen wil begeleiden in het leven? En dat men ook in het alternatief van godsdienstonderwijs (zoals ethiek of filosofie) zich bezig zou moeten houden met de Bijbel?

De wil om de Bijbel aan de volgende generaties door te geven moet tenslotte ten opzichte van de Bijbel zelf worden gerechtvaardigd. De Bijbel is een oud boek. Dat weten niet alleen onze jonge mensen, die haar daarom alleen maar een waarde voor oude mensen toeschrijven. Exegeten weten dat nog veel beter. We kennen de voorbije wereld, waar deze tekst uit stamt. Wij zijn erin getraind om deze voorbije wereld te respecteren, om er geen andere betekenis aan te geven, om niet onze eigen wereld in haar te projecteren. Misschien hebben exegeten op dit punt vooronderstellingen voor didactische overwegingen, die anderen niet hebben. Wij begrijpen de jongeren goed, die zeggen: de Bijbel is een oud boek! Maar men kan zich afvragen of deze ouderdom, haar verzet tegen onze moderne mentaliteit juist niet waardevol? Is het een van de grote gaven van Israël aan de mensheid geweest, dat het een canon geschapen heeft en daarmee veel onderdrukte ideeën aan de vergetelheid ontrukte? De vierde vraag van elke didactiek van de Bijbel laat zich daarom als volgt formuleren: hebben wij redenen om dit oude boek in zijn totale vreemdheid te bestuderen en onze kinderen daarmee vertrouwd te maken?

De intellectuele situatie is daarvoor rijp. Het inzicht, dat wij in een postseculiere samenleving leven waarin religieuze en a-religieuze mensen op den duur met elkaar moeten samenleven, vindt steeds meer ingang. De traditionele godsdiensten kunnen de moderne maatschappij niet terugveroveren en de seculiere intellectuelen kunnen niet hopen op het verdwijnen van de godsdienst. Beide groepen moeten zich voor elkaar openstellen. Postmoderne mentaliteit, zoals die zich in de jaren 80 verspreidde, maakt dat gemakkelijker. Toen de architectuur onverenigbare stijlen naast elkaar in hun waarde liet bestaan, drukte zij een bereidheid in onze maatschappij uit om zich bezig te houden met de verscheidenheid. De scepsis ten opzichte van de uiteindelijke fundering van de kennis nam in dezelfde mate toe als de scepsis ten opzichte van de vooruitgang en de mogelijkheid van de objectieve analyse van de werkelijkheid. De grote verhalen raakten in diskrediet.[13] Ook als men de postmoderne mentaliteit eerder als een tegenstroming beschouwt, die bevestigt dat de hoofdstroom nog steeds dezelfde kant opstroomt, is de situatie van de godsdienst toch veranderd. Als religie een onderdeel van de moderne wereld blijft, dan zou de Verlichting hierin kunnen bestaan de godsdienst beter te begrijpen dan zij zelf doet. In geen geval zou in het in de betekenis van de Verlichting zijn om religieuze mensen aan te moedigen zich in te spannen voor een begrip van de seculiere wereld, maar om zelf te weigeren in een dialoog met de religieuze overtuigingen te treden – behalve door de godsdienstkritiek die bij religieuze mensen op waardering kan rekenen, omdat zij de dialoog als vooronderstelling heeft.[14] Maar voor de postmoderne mentaliteit zijn godsdiensten weerbarstig. Zij geven uiteindelijke funderingen, bieden grote verhalen en claimen (of claimden) absoluutheidsaanspraken.

Als in dit boek een open didactiek van de Bijbel wordt ontvouwd, die een begrijpen van de Bijbel door iedereen wil bewerkstelligen, dan is haar Sitz im Leben de postseculiere maatschappij. Daarom moet elke didactiek van de Bijbel, die haar religieuze gestalte meeweegt, gezien worden als missionaire bezigheid van de kerken. Postmoderne mentaliteit kan zich gemakkelijker inlaten met de overtuigingen van anderen, zonder de dwang te ondervinden om met hen te moeten instemmen. Zij kan overtuigingen uitdragen zonder de missionaris daarvan te zijn.

Diametraal tegenovergesteld reageert het christelijke fundamentalisme op de huidige situatie. Dit fundamentalisme moet worden onderscheiden van het traditionele piëtisme met zijn wortels in de 17e en 18e eeuw. Voor het traditionele piëtisme is de bekering als toewending naar Jezus en de praxis pietatis beslissend. Dit piëtisme keerde zich tegen de orthodoxe theologie, die ver van het leven verwijderd was. Het subjectivisme van deze beweging was een modern element. Fundamentalisme[15] is echter de reactie, die in Noord-Amerika is begonnen op de zich seculariserende politiek en de moderne wetenschap uit de 19e eeuw. In de Niagara Creed werden als Essentials naast de letterlijke inspiratie 4 belijdende stellingen over de christologie, de maagdelijke geboorte, de verzoeningsdood, de opstanding en de wederkomst van Jezus geponeerd. Veel beslissender werden echter drie uitgangspunten:

1)       De afwijzing van het historisch-kritische onderzoek van de Bijbel, dus de algemene rationele uitleg van de tekst.

2)       De bestrijding van de evolutieleer door een creationisme, die de scheppingsgeschiedenis zeer letterlijk neemt. Het creationisme wijst ook af, dat de mens van de apen afstamt.

3)       De verdediging van de traditionele moraal – in het bijzonder ten opzichte van vrouwenemancipatie, abortus en homoseksualiteit.

De fundamentalisten moet men niet verwarren met de veel gematigdere Evangelicals, die zich wel inlaten met de moderne cultuur[16] en een maximalistische theologie bedrijven: zoveel mogelijk van de Bijbel is historisch, zoveel mogelijk van het geloof van de kerk moet worden bewaard. Men onderscheidt zich bewust van de overtrokken fundamentalistische standpunten.

In de jaren 80 beleefde het fundamentalisme in het christendom, jodendom en de islam een renaissance.[17] Zoals het piëtisme door zijn subjectivisme een onderdeel van de moderne wereld was, zo is dat ook met het neo-funamentalisme:  terwijl de postmoderne mentaliteit het pluralisme en zijn relatievering van de zekerheden accepteert, protesteert de fundamentalistische mentaliteit tegen de verdwijning van zekerheden. Zij is verwant aan de formele moderne mentaliteit. Deze vertrouwt op objectieve wetenschappelijke inzichten, algemeen inzichtelijke morele oordelen en de kracht van de vooruitgang. Op dezelfde manier baseert het fundamentalisme zich op objectieve godsdienstige waarheden, op bindende morele waarden en op een eschatologisch heil voor de gehele wereld. Het is een poging om de verloren invloed van de godsdienst met politieke macht te herstellen en de godsdienst als een (pseudo-)modern product te verkopen. Het geloof moet niet zo zeker op de feiten gebaseerd zijn als een wetenschappelijke theorie. Daarom werd een verbeten strijd gevoerd over de competentie van het uitleggen van de Bijbel: de historisch-kritische methode geldt als zijn grootste tegenstander. Net zoals de bedrijfseconomen geen ‘ketters’ dulden, die de algemene bedrijfsfilosofie tegenspreekt, zo duldt het fundamentalisme geen critici, die hen ter discussie stellen. Maar daarbij blijft het niet. Onze maatschappij ontleent daaraan theorieën, die zich succesvol in producten laat omzetten. De markt geldt als instrument van waarheidsvinding. Het fundamentalisme onderwerpt zich aan deze wet. Het wil zijn ‘product’ succesvol afzetten. Daarbij worden gebruikelijke verkoopstrategieën ingezet: ondanks de anti-moderne affecten treedt het op in moderne gestalte. De elektronische kerk is zijn uitvinding. Het is antimodernisme in een moderne vorm.

Fundamentalisme en evangelicale stromingen eisen de Bijbel empathisch voor zich op.[18] Dit is weliswaar de basis van consensus in kerk en oecumene, maar wie binnen de (protestantse) kerken Bijbel en bijbels in ere houdt, signaleert geen consensus. Beide trefwoorden zijn het sjibbolet van de evangelicale stromingen geworden. Er gaat een onderscheidende functie vanuit: Bijbelgetrouw (inde betekenis van de evangelicale leus) wil slechts een minderheid van de kerk zijn. Zelf het begrip didactiek van de Bijbel roept negatieve reacties op.[19] Een open didactiek van de Bijbel zal de woorden Bijbel en bijbels tegen de trend binnen het protestantisme moeten gebruiken en haar moeten ontdoen van de onderwaardering. Zij kan aanknopen bij het katholicisme, omdat sinds Vaticanum II de Bijbel het symbool is van progressieve theologie. Zij kan zich laten bemoedigen door de herontdekking van de Bijbel binnen de Latijns-Amerikaanse basisgemeenten. Zij moet zich niet laten imponeren van de vlucht van veel protestanten voor de Bijbel. Zij kan in herinnering roepen, dat de invloed van de Bijbel niet samen valt met de grenzen van de kerk. Het Oude (of Eerste) Testament is ook het boek van het jodendom, de tweedelige Bijbel als Oude en Nieuwe Testament is binnen de islam een voorfase van de volledige openbaring. De Bijbel behoort niet alleen aan christenen toe. Zij heeft de geschiedenis van Europa beïnvloed tot ver over de grenzen van de kerk, ook in de vorm van bijbel- en godsdienstkritiek. De reikwijdte van het adjectief bijbels is veel groter dan fundamentalistisch, evangelicaal, protestants, katholiek, kerkelijk of christelijk. Daarom een pleidooi voor een open didactiek van de Bijbel.[20]

Een open didactiek van de Bijbel voor iedereen – onafhankelijk van geloof of ongeloof – komt overeen met de Bijbel zelf. Het jodendom heeft als eerste godsdienst een canon gecreëerd. Daarmee creëerde zij het type van de boekgodsdienst: ‘Dat is het mooie aan de boekreligies zoals het jodendom, het christendom en ook de islam: men kan vertrouwd met hen maken zonder zich te behoeven onderwerpen aan hun riten of manieren van leven, zonder koosjer te eten of een pelgrimsreis naar Mekka te maken, zonder naar de mis te gaan, zelfs zonder kruis in een klaslokaal. Geloven is een heel andere zaak. Maar lezen is geen probleem.’ (J. Ross)[21] Weliswaar hebben de boekreligies een missionaire trek, maar hun boeken kan men daar onafhankelijk van lezen. Daarmee stemt de lezer overeen met de motieven, die bij het ontstaan van de Bijbel een rol hebben gespeeld.

Bij het ontstaan van de Bijbel waren de buitenstaanders de doelgroep: de oud-testamentische canonvorming begint bij Ezra, die (waarschijnlijk) aan het begin van de 4e eeuw voor Christus de joodse gemeenschap in opdracht van de Perzische koning opnieuw fundeerde op de basis van de ‘wet van de God van de hemel’ (Ezra 7). We weten niet, welke ‘wet’ hij meebracht, maar het hoefde niet alleen naar binnen de nieuwe orde te vestigen, maar verzekerde ook naar buiten toe de autonomie van het jodendom: de Perzische heersers wilden deze wet respecteren. Zo’n zelfde functie naar buiten toekomen wij nog een keer tegen in de Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament. Volgens de brief van Aristeas is zij een beschrijving van de joodse religie voor niet-joden. De vertaling werd gemaakt voor de beroemde bibliotheek van Alexandrië (Aristeas 9vv). De brief geeft een lang gesprek van de vertalers met de heidense koning weer, waarin er werd gesproken over de juiste manier van regeren. Al zou het gaan om een legendarische overlevering, de Septuaginta ontstond volgens de visie van de joden niet als enkel literatuur voor de eigen groep – afgezien van de werkelijke historische motieven, die achter deze vertaling van de Bijbel schuil gaan.

Het Nieuwe Testament is daarentegen alleen op basis van aanzetten uit het Vroege Christendom zelf ontstaan. Het is de literatuur van een kleine groep. Juist daarom is het verbazingwekkend, dat wij hierin een tendens naar publiciteit vinden. De eerste geschriften, waarmee men de stap naar buiten voor een christelijke journalistiek maakte, had het evangelie als thema – een vrolijke boodschap met een publiek karakter. Dat is het thema van de brief aan de Romeinen, het eerste vroeg-christelijke schrijven, dat de stap naar de journalistiek bereikte. In Rom. 1 noemt Paulus als zijn geadresseerden alle volken (Rom. 1:16v), Grieken en niet-Grieken, wijzen en dwazen (Rom. 1:14). Het evangelie is ook het thema van het oudste evangelie (Mk. 1:1). Het moet over de gehele wereld verspreid worden (Mk. 13:10, 14:9). Ook als daarachter missionaire motieven schuil gaan, geldt: het Nieuwe Testament is bedoeld om door iedereen gelezen te worden – en niet alleen door gelovigen. Men kan dit al terugvinden in de Oudheid: critici van het christendom hebben het NT bestudeerd. Een open didactiek van de Bijbel is daarom niet in tegenspraak met de intenties van de Bijbel.

Deze didactiek van de Bijbel zal in het volgende in drie stappen uiteen gezet worden. Aan het begin staat de vraag naar de (leer-)doelen van de omgang met de Bijbel. Waarom moeten intellectuelen zich vandaag de dag met haar bezig houden? Waarom moeten kinderen en jongeren de Bijbel lezen? Het tweede deel vraagt: wat moeten wij uit de Bijbel bestuderen? Waarom is er in de Bijbel zo basaal, dat men haar samen met kinderen kan bestuderen? Wat in de Bijbel vraagt om communicatie met andere mensen? Aan het eind staat het derde deel, waarin een methodiek van het onderwijs in de Bijbel gegeven wordt. Voor elk deel geldt: geen didactiek kan de Bijbel beter beschrijven dan zij is. Zij wordt gelezen, omdat zij zelf de motivatiekracht bezit. Didactiek van de Bijbel kan alleen helpen om deze motivatie-energie in actuele motieven om de Bijbel te lezen en te bestuderen omzetten.

Afkortingen

bsr

EKL                                                    Evangelische Kirchelexikon

EvTh                                                   Evangelische Theologie

LexRP                                                 Norbert Mette & Folkert Rickers, Lexikon der                                                                Religionspädagogik (Neukirchener: Neukirchener-                                                              Verlag, 2001), 2 delen.

NTOA

TRE                                                     Theologische Reallexikon

 


[1] H. Schwier, ‘Praktische Theologie und Bibel. Die Rolle von Bibel und Exegese in der derzeitigen Standortbestimmung der Praktischen Theologie’, EvTh 61 (2001) 340-353, heeft drie vormen van de Bijbel onderscheiden volgens de drie gestaltes van het christendom, d.w.z. de kerkelijke, het private en het publieke. Deze gestaltes ontleent hij aan D. Rössler, Grundriß der Praktischen Theologie (Berlijn / New York: De Gruyter, 1986). Het belijdenisboek past bij de kerkelijke vorm, het vormingsboek past bij de individuele religiositeit, het bronnenboek bij de maatschappij in zijn geheel. Ik heb de termen enigszins aangepast: het begrip vormingsboek sluit zich vooral aan bij het liberale gebruik van de Bijbel. Het begrip bronnenboek is te smal om de betekenis van de Bijbel binnen de algemene cultuur en maatschappij te omvatten. Ook in het universitair onderwijs is de Bijbel meer dan een ‘bron’.

[2] Dit gold al voor de omstandigheden in West-Duitsland. De integratie van de vroegere DDR aan de ene kant en de integratie van de Europese Unie aan de andere kant versterken deze ontwikkeling. Europa definieert zijn identiteit heden zonder terug te grijpen op de godsdienst, die Europa heeft geschapen!

[3] Volgens de 13e Shell-jeugdstudie; vgl. K. Gabriel, art. ‘Tradierungskrise’, LexRP II (2001) 2137-2139.

[4] Terwijl de schappen zich vullen met cultuurtheologische analyses, worden de kerken niet voller. Zulke theologische omduidingen verstevigen de indruk van de zelfsecularisering van de theologie. Zij werken als een universitair onderzoeksprogramma, waarmee een theologisch liberalisme historisch-kritisch naar zijn eigen geboorteoorkonde zoekt – alsof zij onzeker is of zij bestaansrecht heeft in de kerk en maatschappij. Men vindt hier mensen om van te houden, maar geen theologie met een gemeenschapsvormende kracht.

[5] P.L. Berger, Sehnsucht nach Sinn. Glauben in einer Zeit der Leichtglaubigkeit (Engels: 1992), GTB 1323 (Gütersloh: Mohn, 1997) 31-52. De pluralisering van de overtuigingen versterkt de indruk van de secularisering: bij onverenigbare diepe overtuigingen neigen wij ertoe om ze buiten beschouwing te laten. Zij worden niet meer openlijk uitgedragen, maar blijven verborgen in een innerlijke dialoog. De godsdienst wordt van een privézaak een intieme zaak. Men spreekt ook binnen de familie niet over geloofsvragen, maar alleen nog maar met persoonlijke vrienden, ook al heeft men een officiële rol, waarin men over religieuze vragen moet spreken: de rol van godsdienstdocent of van predikant.

[6] Slogan, die in een toneelopvoering van een stuk van Gregory Tabori in het Heidelbergse stadstheater werd geprojecteerd. Friedrich Nietzsche leefde van 1844-1900.

[7] Zie bijvoorbeeld de uitkomsten van empirische onderzoeken bij H.K. Berg, Grundriß der Bibeldidaktik. Konzepte, Modelle, Methoden (München / Stuttgart: Kösel / Calw, 1993) 12-19.

[8] Deze breuk wordt enigszins verkleind doordat de levensverwachting is toegenomen. De Bijbel is voor oude mensen opnieuw aantrekkelijk. En er zijn op dit moment meer oudere mensen dan jongere. Voor de docent is het een zwakke troost, dat mensen zich opnieuw gaan bezighouden met de Bijbel op hogere leeftijd een zich in hun kindertijd of jeugd al bezig zijn geweest met de Bijbel – op aangeven van de docent, die de dank van deze scholieren niet meer in ontvangst kan nemen.

[9] Dat godsdienstdocenten leiden onder een zware taak en uitgelachen worden wordt door empirisch onderzoek niet aangetoond. Zie A.A. Buchner, Religionsunterricht: Besser als sein Ruf? Empirische Einblicke in ein umstrittenes Fach. Salzburger Theologische Studien 3 (Innsbruck / Wenen: Tyrolia, 1996). De samenvatting op p. 148-151 benadrukt, dat godsdienstonderwijzers (1) in een hoge mate tevreden zijn over hun beroep, (2) in geringe mate te kampen hebben met burnout, (3) een hoge zinpotentieel beleven, (4) vaak de overtuiging te hebben met een noodzakelijke taak bezig te zijn en (5) daardoor hoge leerdoelen nastreven. Natuurlijk is er ook (6) een kleine groep van docenten,  die werkelijk lijdt.

[10] Dat is bij godsdienstdocenten niet altijd het geval. Ch. Reents heeft vanuit haar ervaring aan de lerarenopleiding argumenten tegen het bijbelonderwijs op een rijtje gezet. Ch. Reents, ‘“Bibel weg – hat kein’n Zweck!” Zwölf Argumente und zwölf Gegenargumente’, in: G. Lämmermann / Ch. Morgenthaler / K. Schori / Ph. Wegenast, (Hg.), Bibeldidaktik in der Postmoderne. Festschrift für Klaus Wegenast. (Stuttgart: Kohlhammer, 1999) 337-344.  De Bijbel is (1) een boek uit de oudheid, (2) zonder betekenis voor het heden, (3) alleen begrijpelijk voor specialisten, (4) wordt in toenemende mate irrelevant vanwege de toenemende onkerkelijkheid, (5) bevat een patriarchaal Godsbeeld, (6) vraagt door identificatie met de lijdende medemensen een valse offerbereidheid, (7) spreekt met haar geloof in God een zelf vormgegeven leven tegen evenals dat gebeurt (8) met de ethos van de niet tegen te houden individualisering en (9) de noodzakelijkheid van vergelding in plaats van verzoening. Zij behoort (10) tot een achterhaalde feestdagencultuur, (11) staat vol ongeloofwaardige leugenverhalen, (12) is ongeschikt als kinderboek. Het ongemak van de leraren ten aanzien van de Bijbel zou wel eens groter kunnen zijn dan die van hun leerlingen. A.A. Buchner, ‘Verstehen postmoderne Kinder die Bibel anders?’, in: G. Lämmermann e.a. (Hg), Bibeldidaktik in der Postmoderne (1999) 135-147, heeft in een onderzoek vastgesteld, dat scholieren uit het derde en vierde Grundschuljahr het horen van de bijbelverhalen merendeel associëren met geluk.

[11] In de jaren 60 stond de Bijbel in het centrum van de theologiestudie. Hermeneutiek van de Bijbel was het centrale thema. Vandaag de dag moeten exegeten ook moeite doen om binnen de theologische studie de interesse op te wekken voor hun vak! Met hun historische geleerdheid worden zij vaak verantwoordelijk gehouden voor de tekorten in de theologiestudie. Dat leidt vaak tot groteske overreacties: aan een theologische faculteit uit Midden-Europa (Genève) kan men ondertussen al na het derde jaar de exegese en theologie van het Nieuwe Testament laten vallen!

[12] Citaat bij H. Halbfas, Die Bibel, erschlossen und kommentiert von Hubert Halbfas (Düsseldorf: Patmos, 2001) 17.

[13] Zie C. Strube, ‘Postmoderne I’, TRE 27 (1997) 82-87; W. v. Rejen, ‘Postmoderne’, EKL 3 (1992) 1276-1282.

[14] Zie bijv. de toespraak van de filosoof Jürgen Habermas ter gelegenheid van de toekenning van de Vredesprijs van Duitse Boekhandels: Glauben und wissen (Frankfurt: Suhrkamp, 2001). Het begrip postseculiere maatschappij is te vinden op o.a. op p. 13.

[15] Het begrip fundamentalisme gaat terug op de twaalfdelige reeks The Fundamentals (1910-1915). In 1919 werd in Philadelphia de World’s Christian Fundamentals Association opgericht. Zie W. Joest, ‘Fundamentalismus’, TRE 11 (1983) 732-738; K. Kienzler, Der religiöse Fundamentalismus. Christentum, Judentum, Islam. Bsr 2031 (München: Beck, 1996).

[16] Zij richtten in 1943 de National Association of Evangelicals op. In 1957 kwam het tot een schisma, waarbij deze gematigdere stroming rond de opwekkingsprediker Billy Graham zich afscheidde van de fundamentalisten. Zie M.S. Hamilton, ‘Fundamentalismus II, 2b’, RGG4 3 (2000) 416-418, vooral 418.

[17] K. Kienzler, Fundamentalismus, 9v, wijst op de volgende chronologsiche data. In mei 1977 kwam de Likudpartij in Israël aan de macht, waardoor de fundamentalistische stromingen in Israël politieke invloed verkregen. In september 1978 werd de Pool Karel Wojtila (Johannes Paulus II) tot paus gekozen, die de conservatieve krachten in de Rooms-Katholieke kerk versterkte. In februari 1979 keerde ayatollah Khomeini terug naar Teheran. In 1980 werd Ronald Reagan met steun van de fundamentalistische groeperingen gekozen tot president van de VS.

[18] De didactiek van de Bijbel, die in dit boek uiteen wordt gezet, staat diametraal tegenover het fundamentalisme, want er wordt ingestemd met het historisch-kritisch onderzoek, de evolutionaire visie op de natuur en de noodzaak van het toetsen van morele normen.

[19] Zie W. Gräb, ‘Die Pluralisierung des Religiösen in der ‘Postmoderne’ als Problem der ‘Bibeldidaktik’’, in G. Lämmermann e.a. (Hg.), Bibeldidaktik in der Postmoderne (1999) 182-197: ‘Didactiek van de Bijbel wordt eerder geassocieerd met krampachtige pogingen om de Bijbel ‘in te brengen’, waar het niet gepast is.’ (197)

[20] De open didactiek van de Bijbel, die hier voorgestaan wordt, kan aanknopen bij de godsdienstdidactische reflecties van de liberale godsdienstpedagogiek tot aan de symbooldidactiek. Omdat zij (in Duitsland) haar Sitz im Leben binnen de school heeft en niet (alleen) binnen de kerk, vinden wij in haar een veel grotere openheid dan in de interne theologische hermeneutische concepten. Men moet deze openheid natuurlijk onder de aandacht brengen.

[21] J. Ross, ‘Faust, Freud, Bach und die Bibel’, in: Die ZEIT, nr. 14 van 27 maart 2002 op p. 1.

Advertenties