Gods gerechtigheid: de weg van God om te verlossen

Gods gerechtigheid: de weg van God om te verlossen
Georg Plasger over de Heidelberger Catechismus – deel 5

Door de zonde is de relatie met de Heere gebroken. Daardoor is de mens van God losgeraakt en vervreemd geraakt van God.
Gelukkig kan de Heidelberger Catechismus ook – in navolging van de Schrift – uitleggen hoe de relatie, die verbroken is, weer kan worden hersteld. De Catechismus wijst daarbij op het sterven van de Heere Jezus aan het kruis. Door Zijn sterven kan de zonde vergeven worden.

Moeite
Deze boodschap is een geweldige boodschap voor degenen die gelovigen. Toch roept deze boodschap ook een aantal serieuze vragen op. En die vragen raken ook de manier waarop de Catechismus spreekt over het sterven van de Heere Jezus.
In deze tijd is er steeds meer moeite met de betekenis van dat sterven zoals de Catechismus daaraan geeft. Moeite met de gedachte dat de Heere Jezus in onze plaats moest sterven. Kan iemand wel mijn schuld wegdragen? En vooral: past toorn wel bij Gods barmhartigheid en liefde? Past het wel bij God dat Hij de straf laat dragen door de onschuldige Jezus?

Rechtvaardigheid
De Catechismus kent deze vragen ook en wil ze ook beantwoorden. Is God dan niet barmhartig? Dat is vraag 11. Het antwoord: God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig. Daarmee bedoelt de Catechismus niet dat God twee kanten heeft: een liefdevolle, barmhartige kant en een strenge, rechtvaardige kant. Gods rechtvaardigheid en barmhartigheid horen bij elkaar. Ze kunnen niet van elkaar losgemaakt worden. Hoe zit het met Gods rechtvaardigheid?

Vrouwe Justitia
Bij rechtbanken is vaak het beeld te vinden van vrouwe Justitia: een geblinddoekte vrouw met een weegschaal. De weegschaal moet in evenwicht zijn. Er moet een balans zijn. Maar is dat wel een goed beeld voor wat er moet gebeuren tussen God en mens? Want dan zou betekenen dat beide partijen iets in de weegschaal leggen: God iets en wij ook. Als er gesproken wordt over Gods gerechtigheid moeten we daarom niet denken een oplossen van een conflict waarin beide partijen iets toeleggen.

Verbondstrouw
Het woord rechtvaardigheid (of ook wel gerechtigheid) komt niet uit de wereld van de rechtspraak. Het woord komt uit het Oude Testament en kan worden vertaald met: gemeenschapstrouw of verbondstrouw. Als er gezegd wordt dat God rechtvaardig is, wordt daarmee bedoeld dat de Heere trouw is aan Zijn verbond. Dat verbond is verbroken toen de mensen de relatie met de Heere verbraken. Door Zijn gerechtigheid (trouw aan Zijn verbond) wil de Heere die verbroken relatie herstellen. Met als doel: het verbond met Hem te herstellen.

Ernst van de zonde
Zijn gerechtigheid is echter geen barmhartigheid die alles maar goed vindt en al het verkeerde door de vingers ziet. Daarvoor is de zonde als verzet tegen God te ernstig. Dat de zonde zeer ernstig is, klinkt door in zondag 3 en 4 (vraag en antwoord 6 tot en met 11). Daarom kan Zijn rechtvaardigheid niet de zonde zomaar laten passeren. Want daarmee zou de relatie verbroken blijven. De Catechismus laat dan ook zien, dat de Heere er alles aan doet om de zonde en de ernstige gevolgen van de zonde te overwinnen. De Heere doet dat door ons Zijn gerechtigheid te schenken. Dat de relatie, het verbond hersteld wordt, is een gift van de Heere.

Straf
Hoe zit dat dan met de straf? De Catechismus spreekt toch over toorn over de zonde en de straf op de zonde? Zie antwoord 10: de Heere straft door een rechtvaardig oordeel nu en eeuwig. De straf op de zonde is dat de mens van God is losgeraakt. De eeuwige straf is dat de mens voor eeuwig van God los is, een bestaan zonder relatie met de Heere. Dat mag voor mensen die geen relatie hebben met de Heere niet iets ingrijpends te zijn. Voor de gelovige is dat het verschrikkelijkste wat er denkbaar is: een verbroken relatie die nooit meer hersteld kan worden.

Toorn
Van belang is het om te zien hoe de toorn en de straf van God werkt. Bij toorn gaat het er niet om dat God iets kwijt moet. Het gaat er niet om dat Zijn toorn of woede gestild wordt en dat Hij Zijn woede en toorn kwijtraakt door dat op Jezus te verhalen. Nee, God moet niet veranderd worden. Wij mensen, wij zondaars moeten veranderen. Aan onze kant moet het gebeuren: wij moeten weer met God verbonden worden.

Middelaar
Alleen kunnen wij dat niet zelf. Er is iemand nodig die de verbinding herstelt. Er is – om met een ouder woord te spreken – een middelaar nodig: iemand die de zondaar terugbrengt en weer in relatie brengt tot de Heere. Die middelaar is Jezus Christus: echt en helemaal God en echt en helemaal mens.
Dat kan ook niet anders. Geen enkel schepsel is in staat om de last van Gods eeuwige toorn tegen de zonde te dragen en anderen daarvan te verlossen (antwoord 14). Geen enkel schepsel is in staat om de verbroken relatie te herstellen. Geen enkel schepsel is in staat om ervoor te zorgen dat de zondige mens weer opgenomen wordt in het verbond.

Verbondenheid
Dat kan alleen God Zelf en dat doet Hij gelukkig ook en daarin ligt onze redding. De Heere verbindt zondaars aan Zich door mens te worden en onze straf weg te dragen. God schenkt ons een relatie met Hem door Zelf in de verlorenheid af te dalen. Er vindt een ruil plaats: Christus nam aan het kruis onze plaats in, waar we zonder God waren en waar we verloren waren. Om daarmee te schenken wat Hij heeft: intense verbondenheid met de Heere.

In Gods barmhartigheid en in Gods rechtvaardigheid gaat het beide om het herstel, om terugbrengen: herstel van een verbroken relatie en het terugbrengen van ons in Gods gemeenschap.

N.a.v. Georg Plasger – ‘Gerechtigkeit – oder: Gottes Weg der Erlösung’, in: Idem, Glauben heute mit dem Heidelberger Katechismus (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2012) 70-84

Wat is uw enige troost in leven en sterven?

Wat is uw enige troost in leven en sterven?

Margriet krijgt te horen dat zij ernstig ziek is. Het is een bericht dat haar overrompelt. Al voelde ze wel dat er iets aan de hand was, dit had ze niet verwacht. Er gaat van alles door haar heen. Vragen als: had dit niet eerder ontdekt kunnen worden? Wat staat mij te wachten? Hoe lang heb ik nog te leven? Het bericht maakt haar ook verslagen. Maar er is ook nog een diepe wens om zo lang mogelijk door te leven. Voor haar man, voor de kinderen, de kleinkinderen. Ze klampt zich vast aan de behandelingen. Al wordt ze door die behandelingen nog zieker dan ze al is. Bij alles wat haar overkomt lukt het haar ook niet meer om te bidden. Want welke woorden moet ze nog gebruiken? Het lukt haar ook niet om troost te vinden in het geloof. Als het bezoek het gesprek op het geloof wil brengen of op de toekomst die haar te wachten staat, gaat zij daar niet op in. Margriet kan en wil daar niet over praten. Ze wil leven! De kuur is zwaar en ingrijpend, maar na verloop van tijd lijkt te kuur toch aan te slaan. Ze kan weer van bed af, af en toe wat in de tuin doen en zelfs af en toe op stap naar de winkel. Dan komt er de tegenslag: de ziekte is in hevigere mate teruggekomen. Ze krijgt de vraag of ze nog een keer een behandeling wil. Aan de ene kant twijfelt ze: de kuur zal haar nog zieker maken dan ze is en veel extra levensverwachting wordt er niet geboden. Ze zal hooguit nog een maand leven. Maar ze wil blijven leven! Voor haar man, voor de kinderen en kleinkinderen. Ze kan nog geen afscheid nemen van het leven. Ze besluit toch om de behandeling te ondergaan. Halverwege moet zij de behandeling afbreken, omdat het haar veel te zwaar valt. Ze kan het echt niet meer aan. Een grote teleurstelling. De mensen om haar heen houden hun hart vast: Hoe zal zij omgaan met deze grote tegenslag? Dan gebeurt het onverwachte, wat niemand in haar omgeving nog op had gerekend. Terwijl zij geen enkele hoop meer had dat het nog beter zou gaan met haar en het echt duidelijk was dat haar einde naderde, kwam zij bij God uit. Ze herinnerde zich hoe zij als jong meisje een preek had gehoord over Deuteronomium 33:27a: De eeuwige God is u een woning en onder u zijn eeuwige armen. Daarin vond zij haar houvast en er kwam een rust over haar. Vredig en vol vertrouwen op God stierf zij.

Wat is uw enige troost in leven en sterven? Hebt u daar al een antwoord op? Het is immers een vraag die voor u niet vreemd hoeft te zijn? U hebt deze vraag inclusief het antwoord vroeger vast wel uit uw hoofd moeten leren voor school of voor catechisatie. Deze vraag is vaak langsgekomen wanneer een predikant een begin maakte met een prekenserie over de Heidelberger Catechismus. Daarnaast zult u allemaal wel ingrijpende gebeurtenissen in uw leven gehad hebben, waardoor u wel over deze vraag na moest denken. Omdat een moeder die heel dierbaar was overleed. Of een echtgenoot. Een kind. Of een broer of zus. Dat zijn momenten waarop deze vraag op u af kan komen: Wat als dat met mij zou gebeuren? Welke troost heb ik dan?

Het is een bekende vraag. Zo bekend, dat als ik aan u zou vragen: Wat is uw enige troost in leven en sterven? Dat u vast denkt: ‘Ja, ik weet wel waar dat vandaan komt. Dat kan niet missen! Dat is zondag 1.’ Ik ben benieuwd of u ook het antwoord weet dat de catechismus geeft. Of geldt voor het antwoord hetzelfde als wat over alle belijdenisgeschriften gezegd wordt: veel geprezen, maar weinig gelezen?
En dan ben ik niet alleen benieuwd of u het antwoord kunt opzeggen, maar of dat antwoord u ook helpt om voor uzelf een antwoord te vinden op die vraag naar de enige troost in leven en sterven. Want de catechismus is niet alleen gegeven om de juiste leer aan te leren, maar om in uw eigen leven met de Heere te leven.

Ik wil met u uitgebreider nadenken over het antwoord dat in de Catechismus gegeven wordt. Allereerst het woord ‘troost’. Vandaag de dag heeft dat woord een andere betekenis dan 450 jaar geleden toen de catechismus werd opgesteld. Vandaag heeft troost vooral te maken met verdriet of teleurstelling. Troost betekent dat iemand je probeert op te beuren. In de vraag van de Catechismus gaat het om meer: om houvast, om zekerheid.

Ik neem u mee naar de tijd waarin de catechismus is ontstaan. Het is 1563, 5 jaar voor het uitbreken van de 80jarige oorlog. Voor de gelovigen die de kant van de Reformatie hebben gekozen is het leven niet gemakkelijk. Ze zijn in hun eigen plaats hun leven niet zeker. Vaak zijn ze ook verbannen en mogen ze niet terugkeren naar de plaats waar zij vandaan komen. De gelovigen moesten wegvluchten naar Londen, naar plaatsen in Duitsland. Op verscheidene plaatsen waren gemeenten ontstaan van Nederlandse vluchtelingen. Hun toekomst was hoogst onzeker. Ze hadden hun bezittingen verloren. Ze waren vreemdelingen elders en ze wisten niet hoe het anders zou zijn. Dan is de vraag die de Catechismus stelt een heel mooie vraag. De vraag is: Wat is je houvast in leven en sterven – nu je bijna alles op aarde kwijt bent? Wat heb je dan nog? Wat geeft je de moed om verder te leven? Wat geeft je zekerheid nu je niets meer hebt?

Die zekerheid en houvast betreft niet alleen het naderend einde. Dat is natuurlijk ook van groot belang. De Catechismus gaat ervan dat er één zekerheid is die wij hebben. Die zekerheid is er bij de naderende dood en het uitzicht na de dood. Diezelfde zekerheid is er ook in het leven. Als u zegt: ik kán sterven, dan kunt u ook leven. Dan hebt u ook zekerheid in het aardse leven. Zekerheid als er tegenslagen komen, als er ziekte komt, een verkiezingsuitslag. En omgekeerd – als u zegt: ‘Ik heb een goed leven, een leven dat zinvol is’, zou dat ook moeten inhouden dat u kunt sterven. De Catechismus zegt: we kunnen hierin geen onderscheid maken. Daarin is de Catechismus niet uniek. In heel de christelijke traditie wordt gezegd: Wie kan sterven, kan ook leven. Wie een gelukkig leven wil hebben, dient zich rekenschap van te geven dat er eens de dood als einde is. En nog een stap verder: dient er rekening mee te houden dat er eens een moment komt, waarop we voor God zullen staan en aan Hem rekenschap afleggen over het leven. Het leven hebben wij van Hem gekregen – als geschenk. De vraag zal zijn hoe wij daar mee omgegaan zijn. Wie God kan ontmoeten, kan sterven. Wie God kan ontmoeten, heeft houvast in het aardse leven. Ook als er tegenslagen zijn als geldgebrek, zorgen.

Wat is die zekerheid, die troost, houvast dan? Dat ik met ziel en lichaam, zowel in leven en sterven, niet mijzelf toebehoor, maar eigendom ben van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus. Ik ben van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus. Hem behoor ik toe. Dat is mijn houvast en ook uw houvast. Op de achtergrond horen wij de tekst uit Filippenzen 1: het leven is mij Christus, het sterven winst. Dat mijn leven van Christus is, dat is die zekerheid die ik nodig heb. Om te kunnen sterven en voor God te verschijnen, maar ook om te leven hier op deze aarde.
De gelovigen uit de tijd van de Catechismus waren hun leven niet zeker. Zij hadden geen huis meer. Verbannen, gevlucht. Hun huis hadden zij in Christus. Hij was hun toevlucht. Wellicht keken zij daardoor ook des te meer uit naar dat hemels Vaderland. Vandaag de dag moet denk ik des te meer worden gezegd, dat er ook een troost en houvast in het leven nodig is. En dat die troost en houvast is, dat wij van eigendom zijn van Christus.

Die gedachte dat we eigendom van Christus zijn en dat daarin ons geluk ligt, is voor velen vandaag de dag moeilijk te begrijpen. Misschien niet voor u, maar wellicht wel voor uw kinderen of kleinkinderen. Ik kwam erachter toen ik aangesproken werd op deze zin uit deze zondag: ‘Dat eigendom van Christus vind ik maar niks.’ Ik was benieuwd waar dat in zat. Toen kwam het verhaal. Haar relatie was net verbroken. Ze had een aantal jaren samengewoond, maar in die relatie was zij niet gelukkig. Ze had het idee dat zij zichzelf steeds meer kwijtraakte en steeds meer in een gevangenis kwam. Dat haar vriend haar leven ging bepalen. ‘Bij het woord “eigendom” moet ik dan terugdenken aan die relatie.’

Nu zit het niet in het woord. Waar het om gaat, is dat wij pas echt vrij zijn als we gebonden worden aan Christus. Dat wij pas echt mens worden als wij van Christus zijn. Dat wij voor God kunnen verschijnen, kunnen sterven en kunnen leven, als wij van onze getrouwe Heiland Jezus Christus zijn. Heiland. Heiland: Redder, Degene die mij heil schenkt. Er is wat gebeurt. Met Christus en met ons. Christus stierf aan het kruis. Voor Hem was dat verschrikkelijk. Hij zag er tegenop om die weg te gaan. In Gethsemané bad Hij in angst omdat Hij de toorn van God op zich zag afkomen. Omdat Hij al aanvoelde dat Hij door God verlaten zou worden en af zou dalen in de hel.

Van Hem ben ik, zegt de Catechismus ons voor. Van Hem die Zijn leven en Zijn kostbaar bloed gaf. Zijn kostbaar bloed: het zijn ook de woorden die bij het avondmaal worden uitgesproken. Deze beker is het nieuwe testament in Zijn bloed. Neemt, drinkt allen daaruit, gedenkt en gelooft dat het kostbaar bloed van onze Heere Jezus Christus is vergoten tot volkomen verzoening.

Over elke formulering is nagedacht in de Catechismus: ook over de formulering waarin gesproken wordt over dat bloed. In deze woorden wordt namelijk aangegeven dat de Heere Jezus gestorven is als een offer. Voor onze zonden stierf Hij als een offer. Bij een offer gaat het om leven en dood. De dood van het ene dier geeft leven aan een heel volk. Het kostbaar bloed van Christus wijst naar dat ene offer dat werd gebracht op Golgotha om een heel volk te verzoenen en vrij te kopen. Het is ook voor u gestort, dat bloed van Christus. Ook uw zonden zijn daarmee voldaan. Volkomen voldaan. En u bent vrijgekocht uit de macht van de duivel.
Wanneer iemand zegt: Ik hoef niet van Christus te zijn; ik ben liever van mijzelf – is dat een vergissing. Je kunt niet van jezelf zijn. Je kunt alleen maar van God zijn. Wij zijn niet van onszelf. U bent niet eigenaar over uw eigen leven. Ik niet over de mijne. Ons leven hebben wij in bruikleen gekregen.

Voor ’t leven hebben wij de dood
het lege niets verkozen,
voor vrede vreze, steen voor brood,
voor ’t eeuwig goed de boze.
Wij hebben onze ziel verkocht
van ademtocht tot ademtocht
aan die genadeloze.

En dan zegt de Catechismus tegen ons: je bent vrijgekocht en dat is het houvast dat je hebt in leven en sterven. En je bent niet aan je lot overgelaten, je mag van Christus zijn. Al je zonden zijn voldaan, omdat Christus stierf voor ons. U bent in de hand van Christus! Hij waakt met zoveel zorg over mij!
Omdat Hij niet wil dat we terugvallen, teruggeroofd worden door de genadeloze duivel. Hij waakt met zorg over mij. Wie van Christus wordt, wordt ook van de Vader en wordt ook van de Geest.

Dat gaat niet zonder aanvechting. Een aanvechting is dat wij deze zorg niet altijd zien. Een andere is dat het voor velen niet eenvoudig is hun leven uit handen te geven. Dit houvast, deze troost wordt geschonken. Ligt buiten onszelf.
De Catechismus houdt met deze vraag en dit antwoord ons ook voor dat we het daar – in Christus – moeten zoeken. Wat is uw troost, uw houvast?

Inleiding ouderenmiddag

Zonde – oftewel: is de mens slecht?

Zonde – oftewel: is de mens slecht?
Georg Plasger over ‘geloven vandaag de dag met de Heidelberger Catechismus’ – deel 4

De mens is een zondaar. Dat waren alle reformatoren het over eens. Zonde is daarmee een kernwoord uit de traditie van het christelijk geloof. En zondaar een belangrijk begrip om de mens mee te typeren.

Wat is zonde? Het niet willen accepteren van God en daarom buiten de gemeenschap met God leven; vervreemd van God. Een gebrek aan vertrouwen in God.

Bij deze belangrijke kernwoorden (zonde en zondaar) zijn er vandaag de dag echter enkele grote problemen:

Niet meer bekend
(1) Wat er met het woord zonde of zondaar wordt bedoeld is voor veel mensen binnen en buiten de kerk niet meer bekend.
Wanneer in het klassiek-gereformeerde doopformulier wordt benadrukt dat de doop onze onreinheid aantoont en in de vragen wordt gesteld dat de doopouders samen met hun kind in zonde ontvangen en geboren zijn, is voor de meeste doopouders niet helder wat daarmee wordt bedoeld.

Misstap
(2) Wanneer mensen binnen en buiten de kerk aan zonde denken, gaat de gedachte vaak uit naar morele overtredingen of zedelijke misstappen en krijgt zonde daarmee een andere invulling dan oorspronkelijk de bedoeling was.

Negatief?
(3) De gedachte bij zonde is vaak, dat dit begrip een negatief mensbeeld verondersteld. Dan is de gedachte: wie het begrip zonde hanteert gaat er vanuit dat de mens alleen nog maar in staat is tot slechte daden.
Zowel binnen de menswetenschappen als binnen de theologie gaat men tegenwoordig veel meer uit van een positief mensbeeld: de mens sociaal en leergierig is, van nature actief en coöperatief. In de theologie is de gedachte dat de mens beeld van God is (en daarmee in staat is om ethisch te handelen) tegenwoordig geliefder dan de gedachte dat de mens een zondaar is.

Deze problemen roepen volgens Georg Plasger de vraag op of het woord zonde vandaag de dag nog wel bruikbaar om vandaag de dag te verwoorden wie God is en wat geloven betekent. Kan de Heidelberger Catechismus wel behulpzaam zijn om vandaag de dag na te denken over God en geloof?

Levensgevoel
De Heidelberger Catechismus gebruikt het woord zonde geregeld en onbevangen. Deze catechismus kan er zelfs vanuit gaan dat het begrip zonde bekend is. Dat er veelvuldig gesproken wordt over zonde past bij het levensgevoel van de 16e eeuw. Het levensgevoel van die tijd wijkt sterk af van het huidige levensgevoel. Daarom is het vandaag de dag volgens Plasger niet meer mogelijk om zo onbevangen over zonde en over de mens als zondaar te spreken.

Wet van God
Van belang is volgens Plasger wel om te zien, dat de Heidelberger Catechismus niet aanknoopt bij het levensgevoel van die tijd. Wanneer deze catechismus vraagt hoe men aan de kennis van de ellende komt, luidt het antwoord: uit de wet van God (en niet uit het levensgevoel van onze tijd).
Zonde is voor mensen niet empirisch waarneembaar, maar moet – door de wet van God – worden meegedeeld. Zonder dit mededelen weet de mens niet dat hij zondaar is. In geen enkele tijd kan men van uitgaan dat er een natuurlijk aanknopingspunt is om te spreken over zonde. In de Heidelberger Catechismus gaat het ook niet om de keuze tussen een optimistisch of pessimistisch mensbeeld.

Relatie met God
Bij het spreken over zonde sluit de Heidelberger Catechismus aan bij de Bijbel en benadrukt daarmee: zonde is een onderdeel van de geloofsbelijdenis. Het is al vaker benadrukt dat de inzet met vraag en antwoord 1 laat zien dat over zonde alleen maar gesproken kan worden vanuit de relatie met God. Spreken over zonde kan dus niet in algemeen-menselijke termen buiten die relatie om.

Ellende
Overigens vraagt de Heidelberger Catechismus niet: Hoe weet u dat u zondaar bent? En ook niet: Hoe heb je weet van je zonde? In vraag 3 klinkt de vraag: waaruit kent u uw ellende? Daarbij moet in ogenschouw genomen worden dat dit woord van oorsprong een bredere betekenis had dan wat men nu onder ellende (misère) verstaat. In de tijd van de Heidelberger Catechismus betekende ellende: verbannen, het land uit gewezen.

bsgd0011

Niet meer thuis bij God
De catechismus gaat ervanuit dat de mens niet meer leeft in de oorspronkelijke gemeenschap met God waarin hij geschapen is. De mens is niet meer thuis bij God. Zijn thuisbasis was God, maar nu niet meer. Zonde is volgens de catechismus ontheemd-zijn. Wanneer de mens in ellende is, is hij niet waar hij eigenlijk thuishoort. Hij is niet meer bij God; vervreemd van God en daarmee ook van zichzelf.

Gevolg
Doordat de mens buiten die gemeenschap met God gekomen is, kan hij de wet van God niet volkomen houden. Door die vervreemding is hij niet meer in volkomen in staat tot liefde tot God en tot naastenliefde.
Omdat die vervreemding het problematische is, werkt het ook niet door erop te wijzen dat de mens nog gedeeltelijk in staat is tot het goede. Want juist dat de mens niet meer geheel in staat is om dit dubbele gebod van de liefde te houden is voor de Heidelberger Catechismus het bewijs dat de mens niet meer in die gemeenschap met God leeft.

Inzicht
Het is van belang om te zien dat inzicht en situatie niet gelijk op gaan. De mens is van God vervreemd als hij dat niet inziet. Want alleen als die vervreemding is verdwenen en de mens is teruggekeerd, kan hij inzien dat hij van God vervreemd was.
Immers: alleen vanuit die relatie met God is het mogelijk om in te zien wat zonde is. Wanneer ik inzie dat ik van God vervreemd ben, ben ik al op de weg terug naar die gemeenschap. Kennis van de ellende kan daarom niet zonder de kennis van de verlossing.

N.a.v. Georg Plasger, ‘Sünde – oder: Ist der Mensch schlecht?’, in: Idem, Glauben mit dem Heidelberger Katechismus (2012) 55-69

Wat is geloven?

Wat is geloven?
Georg Plasger over “Geloven vandaag de dag met de Heidelberger Catechismus” – deel 3

Wat is geloven? De Amerikaanse auteur Ambrose Bierce heeft daar een duidelijke mening over. Want in zijn Woordenboek van de duivel geeft hij de volgende definitie: Geloof: dingen voor waarhouden, waarvoor er geen parallellen zijn te vinden, waar geen bewijzen voor zijn te vinden en die iemand verkondigt zonder daar kennis van te hebben.

Ook binnen de kerk is niet altijd duidelijk wat geloven is. De Nederlandse theoloog Harry M. Kuitert schreef eens een boek met de titel: Het algemeen betwijfeld christelijk geloof. Met de titel al wilde hij aangeven dat er veel mensen (buiten en binnen de kerk) zijn die niet meer het geloof van de kerk voor hun rekening kunnen nemen. Het geleefd geloof van veel mensen wijkt sterk af van de officiële leer van de kerk. Het geloof wordt betwijfeld. Houdt dat in, dat geloven een individuele mening is?

Het verschil tussen het geleefd geloof en de officiële leer van de kerk is niet nieuw. In de 17e eeuw kwamen het Piëtisme en de Verlichting op. Beide stromingen benadrukten op hun eigen manier het verschil, maar leggen beide de nadruk op het individu.

Piëtisme
Voor het Piëtisme lag de nadruk op het persoonlijk geloof, waarbij men zich niet kon verschuilen achter de leer van de kerk. Het onderschrijven van de kerkelijke leer hield nog niet in, dat men geloofde.

Verlichting
Bij de Verlichting gaat het erom, dat verstand de opvattingen van de kerk moest beoordelen. Bepaalde onderdelen van de kerkelijke leer moesten het afleggen tegen de rationalistische doordenking van het christelijk geloof.

Orthodoxie
Beide stromingen waren een reactie op de Orthodoxie. De orthodoxie was een stroming uit de tijd na de Reformatie en na het opstellen van de Heidelberger Catechismus. De orthodoxie wilde de waarheid van de Reformatoren vasthouden. Voor hen ging het er juist om, dat de gelovige de officiële leer van de kerk overnam.
Onze tijd en hedendaagse visies op geloven zijn meer door de Verlichting en het Piëtisme gestempeld dan door de Orthodoxie

Niet het geloof staat voorop
De Heidelberger Catechismus, die in de tijd vóór de Orthodoxie opgesteld is, begint niet met de definitie van geloven. Een definitie wordt pas in vraag en antwoord 21 gegeven. In deze catechismus ligt de nadruk niet op het geloof of op de mens die gelooft. De Heidelberger Catechismus stelt niet de vraag: wat maakt de gelovige anders ten opzichte van de niet-gelovige? Ook niet met de vraag: Wat doen mensen als zij geloven.

Handelen van God
De Heidelberger Catechismus start met Jezus Christus, waarlijk God en waarlijk mens en die geschonken is tot onze volkomen verlossing en gerechtigheid. Voor de Heidelberger Catechismus gaat het om het handelen van God: God schept, roept. De mens reageert op het handelen van God doordat hij in geloof antwoordt. Geloven begint met een communicatie die eenzijdig begonnen wordt (namelijk door God).
Dat is ook een rode lijn in het Nieuwe Testament: Gods komen in Jezus Christus geschiedt en de mens gelooft door dit komen. De opstanding geschiedt en daardoor beginnen mensen te geloven. De Geest komt naar Jeruzalem en de kerk, de gemeenschap van degenen die in Jezus Christus geloven, groeit.
De nadruk op de eenzijdig door God begonnen communicatie mag niet uit het oog verloren worden, wil de Heidelberger Catechismus begrepen worden.

Wat is een echt geloof?
De Heidelberger Catechismus gaat zozeer uit van het handelen van God dat niet gevraagd wordt welke godsdienst de juiste is. In deze catechismus wordt geloven aan de orde gesteld binnen de relatie die er tussen God en de gelovige is.
In het antwoord op de vraag wat een waar geloof is worden 3 begrippen genoemd:
– weten
– voor waarachtig houden
– vast vertrouwen

Een echt geloof is niet alleen een stellig weten of kennen waardoor ik alles voor waarachtig houd wat God ons in zijn Woord heeft geopenbaard, maar ook een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving van zonden, eeuwige gerechtigheid en heil door God geschonken is, louter uit genade, alleen op grond va Christus’ verdienste.

Kennis van God
In het antwoord wordt er gesproken over kennis. In navolging van Calvijn gaat het om kennis van God. Calvijn start zijn catechismus met de vraag: Wat is de bestemming van het menselijk leven? Daarop antwoordt de leerling: Dat wij God, door wie wij geschapen zijn, erkennen.
In de Heidelberger Catechismus gaat het om de kennis van God, zoals deze in de apostolische geloofsbelijdenis is verwoord.
Deze belijdenis is niet een toevoeging, maar een essentieel bestanddeel van het geloven. In deze apostolische geloofsbelijdenis gaat het eveneens om het handelen van God. De kennis en het belijden van God gaat om kennis van de in Jezus Christus openbaar geworden humaniteit van God. Dit kennen gebeurt met het gehele menselijke bestaan, met huid en haar, met lichaam en ziel.

Wanneer gelovigen vandaag de dag niet in staat zijn om te verwoorden wat zij geloven is dat een teken van de onmondigheid waarin veel christenen zich vandaag de dag bevinden, aldus Plasger.

Voor waarachtig houden
Deze formulering is enigszins merkwaardig, maar gaat terug op een Bijbelse manier van denken. Het gaat om het verwerken van het Hebreeuwse woord èmèt (trouw). God is de ware God, omdat Hij trouw is: trouw aan Zichzelf en trouw aan Zijn schepping. Daarom is ook zijn Woord te vertrouwen.
Door deze gedachte wil de Heidelberger Catechismus laten zien, dat het in geloven en het voor waarachtig houden van wat God spreekt ook gaat om een overwinning op de zonde. Want de zonde – waar het in het vierde deel over zal gaan – bestaat uit wantrouwen ten opzichte van God en van wat Hij spreekt. In het geloof is dat wantrouwen overwonnen. De gelovige kan Gods Woord weer als betrouwbaar aannemen.

Hartelijk vertrouwen
Voor de christen is geloof niet alleen een overtuiging, maar ook een geschenk van God. Ieder mens stuit op de vraag of geloof niet iets is wat hij of zij zelf heeft ingebeeld, een wensbeeld of een projectie. Voor niet-gelovigen is geloof vooral een persoonlijke overtuiging. Dat is geloof ook. Maar voor de Heidelberger Catechismus is geloven een geschenk van God.
Het is namelijk de Heilige Geest die in mijn hart werkt. Ik hoor door de Heilige Geest dat het evangelie ook voor mij is: dat Christus voor mij gestorven is, dat de vergeving ook voor mij geldt, dat het evangelie aan mij is geadresseerd.
Geloof is dus geen bezit of prestatie, maar een vertrouwen in het evangelie dat door de Geest in ons wordt gewekt en gewerkt.

Samen
Deze 3 aspecten horen bij elkaar. K.H. Miskotte wees er in zijn uitleg van dit antwoord erop, dat het antwoord ook voor misverstanden kan zorgen door te gaan denken dat deze aspecten van elkaar gescheiden kunnen worden. Of door het vertrouwen los te koppelen van de kennis van God.
In de kerkgeschiedenis is het voortdurend voorgekomen, dat men een van deze aspecten eruit lichtte en overaccentueerde:
– De Orthodoxie bijvoorbeeld verwisselde geloven met kennis van de Bijbel en/of van de catechismus. Maar dan wordt geloven is van het verstand alleen en wordt geloven een menselijke prestatie.
– Wanneer de nadruk op het voor waarachtig houden komt te liggen, zoals in het Piëtisme, ligt alle accent op de beslissing om te gaan geloven.
– Wanneer de nadruk ligt op het hartelijke vertrouwen dan bestaat het gevaar dat God als tegenover uit beeld verdwijnt en dat het niet meer gaat om Zijn handelen aan ons en in onze werkelijkheid.
Miskotte benadrukte terecht dat het in de geheiligde kennis van God reeds om vertrouwen gaat.

Kanaal
Voor zowel de Heidelberger Catechismus als de daarin gethematiseerde Apostolische Geloofsbelijdenis ligt het accent op het handelen van God. Dat roept de vraag op in hoeverre het menselijke geloof er nog toe doet.
De Heidelberger Catechismus stelt ook deze vraag: Maar wat baat het nu dat gij dit alles gelooft? (Vraag 59) Antwoord: Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam van het eeuwige leven.
In het handelen van God om de mens. Bovendien gaat het bij kennis van God altijd om de relatie die er tussen God en mens is. Het geloof is het kanaal waardoor de mens alles van God ontvangt: de kennis van God, de rechtvaardigheid, het geschenk van het eeuwige leven, de gemeenschap met Christus, het vertrouwen.

Daarom staat deze catechismus bewust niet stil bij de vraag hoe sterk het geloof moet zijn of wat een kenmerk is van een echt geloof. Deze vragen doen vergeten dat het geloof geen menselijke prestatie of bezit is. Het geloof is een geschenk van God, een kanaal waardoor wij alles van God ontvangen. Wat God ons geeft is genoeg en betrouwbaar. Geloven is niets anders dan – met dankbaarheid – in te stemmen met deze gave en met Gods trouw en betrouwbaarheid.

N.a.v. Georg Plasger, ‘Wissen, Für-Wahr-Halten und Vertrauen – oder: Was ist “glauben”?, in: Idem, Glauben heute mit dem Heidelberger Katechismus (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2012) 41-54

De Bijbel als heilige Schrift

De Bijbel als heilige Schrift
Georg Plasger over “Geloven vandaag de dag met de Heidelberger Catechismus” – deel 2

Hoe komt de Bijbel aan de centrale plaats in het christelijk geloof? De Bijbel is immers een verzameling boeken die uit de oudheid stamt. Voor velen is de Bijbel vandaag de dag een verouderd boek, dat niet ingaat op hedendaagse vragen.

In zijn boek over Geloven vandaag de dag, waarbij hij zich wil laten uitdagen door de Heidelberger Catechismus, gaat Georg Plasger in op de vraag naar de centrale plaats van de Bijbel in het christelijk geloof. De vraag is volgens hem van belang, omdat veel gegevens van 10 jaar geleden nu als verouderd kunnen worden beschouwd, terwijl de oude Bijbel voor christenen niet als verouderd geldt.

Mogelijke redenen
Plasger verwoordt een aantal mogelijke redenen voor het gezag van de Bijbel voor het christelijk geloof:

(1) De schoonheid van de Bijbel:
Bepaalde passages uit de Bijbel zijn ontroerend en worden met recht gerekend tot de wereldliteratuur. Dit argument is echter niet afdoende op de centrale plaats van de Bijbel voor het christelijk geloof te kunnen verdedigen.

(2) De culturele invloed van de Bijbel:
Veel boeken, schilderijen of andere kunstwerken zijn zonder de Bijbel niet te begrijpen. De invloed van de Bijbel op onze kunst en cultuur is echter een historisch argument, waarmee niet de actuele betekenis van de Bijbel onderbouwd kan worden.

(3) De tekst van de Bijbel is direct door God geïnspireerd:
De Bijbel is identiek met het Woord van God, omdat de Bijbel van God zelf afkomstig is. Het probleem is echter dat de Bijbel verschillende visies op gebeurtenissen heeft, die niet met elkaar te harmoniseren zijn. Om één voorbeeld te noemen: de dood van Judas wordt bij Mattheüs en Lukas anders beschreven. Wanneer de Bijbel direct op God teruggaat, zou Hij verantwoordelijk zijn voor de (mogelijke) fouten en vergissingen in de Bijbel.

(4) De ervaringen van de Bijbelschrijvers:
Degenen die aan de Bijbel hebben meegeschreven hebben ervaringen van God gehad. In dat geval zou het echter de gebeurtenis áchter de Bijbeltekst van belang zijn; niet de tekst zelf.

Heidelberger Catechismus
Plasger gebruikt de Heidelberger Catechismus om zich door dat geschrift uit te laten dagen om tot een beantwoording te komen. In de tijd waarin deze catechismus geschreven is, is er nog geen sprake van Bijbelkritiek. In deze catechismus wordt het gezag van de Bijbel ook niet gethematiseerd, zoals in andere belijdenisgeschriften wel gebeurde. Toch speelt de Bijbel een grote rol voor de Heidelberger Catechismus. Haast elke uitspraak wordt met een verwijzing naar een Bijbeltekst onderbouwd.

Hoe weet u dat?
In vraag 19 wordt de vraag gesteld: Hoe weet u dat? (Waaruit weet gij dat?)
Het antwoord: Uit het Heilig Evangelie, dat God zelf eerst in het paradijs geopenbaard heeft, daarna door de heilige aartsvaders en profeten heeft doen verkondigen en door de offeranden en andere ceremoniën heeft uitgebeeld, en dat Hij tenslotte door zijn eniggeboren Zoon heeft vervuld.

Het antwoord is dus: uit het heilig evangelie (waarbij daarna een korte samenvatting van de Bijbel volgt).
Het beslissende voor de Heidelberger Catechismus is dus het evangelie. Wat is de relatie tussen de Bijbel en het evangelie? Uit antwoord 19 blijkt dat voor de Catechismus niet de Bijbel identiek is aan het evangelie, maar dat het evangelie gelijk staat aan Jezus Christus. Voor deze catechismus is het evangelie te identificeren als de geschiedenis van Jezus Christus. Het evangelie is de bevrijdingsgeschiedenis van God, die het beslissende accent in Jezus Christus heeft.

Oude Testament
Opvallend is de nadruk op het Oude Testament in deze formulering. Het evangelie als geschiedenis van de verlossing bindt Oude en Nieuwe Testament samen. Deze catechismus leest het Oude Testament wel vanuit de geschiedenis van Jezus Christus.
Ook in het antwoord op de vraag hoe wij aan onze kennis van onze ellende komen (vraag 3-4) laat de Heidelberger Catechismus zien, dat Oude en Nieuwe Testament bij elkaar horen. In de uitleg van wat de wet is, die ons onze ellende laat zien, geeft deze catechismus aan dat de wet in beide delen van de Bijbel te vinden is. Ook het evangelie is in beide delen te vinden. De catechismus gaat er dus niet in mee om de wet te beperken tot het Oude Testament en het evangelie tot het Nieuwe Testament. Wie wil weten wat Gods wil is, moet zich aan de hele Bijbel, dus aan Oude en Nieuwe Testament, houden.

Wet en evangelie
Voor de reformatoren is het begrippenpaar wet en evangelie van groot belang om de Bijbelse boodschap te begrijpen.
Luther beschouwt de wet als dat wat ons voorhoudt dat wij er niet in slagen een leven te leiden tot Gods eer. De wet laat zien dat wij het evangelie nodig hebben. Calvijn stemt met Luther in, maar benadrukt dat de wet er is om in praktijk te brengen. Waarbij hij besefte dat wij mensen door de wet te handhaven de schijn kunnen ophouden om onszelf beter te presenteren dan wij in werkelijkheid zijn.
De Heidelberger Catechismus volgt beide reformatoren: in vraag 3 wordt begonnen met de wet, die ons laat zien dat wij zondaar zijn. Na de wet volgt het evangelie, zoals bij Luther. In het laatste deel van de dankbaarheid keert de wet – in het spoor van Calvijn – ook weer terug. De Heidelberger Catechismus kiest niet voor niets deze twee begrippen om de inhoud van de Bijbel kort samen te vatten. Plasger: ‘Wet en evangelie verwijzen naar Gods mensenvriendelijkheid en verwijzen evenzeer naar ons niet-kunnen en naar onze taak.’

God en Zijn handelen
Niet iedereen die de Bijbel leest, leest dit boek vanuit het perspectief van God die zich naar ons toe keert en wij die ons van God afkeren. Men kan de Bijbel lezen zonder het evangelie eruit op te pikken.
In het perspectief van de catechismus kan de existentiële betekenis van de Bijbel alleen begrepen worden als wij de Bijbel gelovend lezen. Het gaat in de Bijbel om God en Zijn handelen en alleen vanuit het geloof is het mogelijk zijn daden te zien en te begrijpen. En dat is tegelijkertijd ook het antwoord op de vraag van Plasger: de Bijbel is voor de kerk van wezenlijk belang, omdat hierin beschreven wordt wie God is en hoe Hij handelt.

Georg Plasger, ‘Die Bibel als heilige Schrift – oder: Woher kommt unser Wissen?’, in: idem, Glauben heute mit dem Heidelberger Katechismus (Vandenhoeck & Ruprecht, 2012) 27-40.

Hoe kunnen wij op de juiste manier over God spreken?

Hoe kunnen wij op de juiste manier over God spreken?
Georg Plasger over “Geloven vandaag de dag met de Heidelberger Catechismus” – deel 1

In 2013 werd het jubileum van de Heidelberger Catechismus gevierd. In de aanloop van dit jubileum gaf Georg Plasger een boek uit: Geloven vandaag de dag met de Heidelberger Catechismus.

De titel laat al zien wat de bedoeling is van Plasger: een dialoog met deze catechismus met het oog op geloven vandaag de dag.
Want de Heidelberger Catechismus mag dan een belangrijke tekst uit de gereformeerde traditie, een tekst die door de oudere generatie uit het hoofd moest leren, Plasger betwijfelt of het wel geleid heeft tot een dialoog met deze vragen en antwoorden.
Hij is van mening dat zo’n dialoog ook vandaag de dag nog uiterst zinvol is: de Heidelberger Catechismus kan gelovigen helpen om hun geloof te begrijpen en onder woorden te brengen en zo mondig worden.
Omdat gelovigen vandaag de dag vaak niet in staat zijn om hun geloof onder woorden te brengen, zijn zij nauwelijks in staat om de dialoog te voeren met gelovigen met een andere confessie of met aanhangers van een ander geloof. Om christenen te helpen bij de verwoording van hun geloof gaat Plasger de dialoog aan met de Heidelberger Catechismus aan de hand van 14 basale thema’s. De eerste: God belijden. Ofwel: hoe kunnen wij op de juiste manier over God spreken?

Bewijzen van God?
Steeds weer is er geprobeerd om het bestaan van God objectief aan te tonen. Er zijn globaal gesproken 3 vormen van godsbewijzen:
* Een godsbewijs dat redeneert vanuit de oorzaak: de kosmos waarin wij leven is dermate intelligent dat er wel een Schepper aan ten grondslag moet liggen (kosmologisch of causaal godsbewijs).
* De schoonheid en de complexiteit van de kosmos laat zien dat er een plan of een doel aan ten grondslag ligt (teleologisch godsbewijs).
* God is het hoogste dat kan worden gedacht. Als dat zo is, moet God wel bestaan, omdat iets dat niet bestaat niet het hoogste is dat kan worden gedacht (ontologisch godsbewijs).
De godsbewijzen zijn radicaal bekritiseerd door de filosoof Immanuel Kant: de wereld waarin God zich bevindt, is niet toegankelijk voor het menselijk verstand. Daarom kan het bestaan van God niet bewezen worden.
Moet in een tijd waarin er steeds meer mensen zijn die atheïstisch zijn toch niet worden teruggegrepen op de godsbewijzen?

Kennis over God als belijden van God
Opvallend is dat de Heidelberger Catechismus in de eerste vraag en het eerste antwoord niet over God spreekt. Deze catechismus begint met een vraag, die laat zien dat de vraag naar God en Zijn bestaan niet een puur intellectuele bezigheid kan zijn. Niet Gods bestaan staat op het spel, maar dat van de mens staat op het spel. Niet onze keuze is bepalend, maar Gods keuze.
Dit is overigens een belijdenis, een geloofsinzicht. Maar die belijdenis laat zien, dat het – voor het christelijk geloof – niet mogelijk is om objectief over God te spreken. Dat wil niet zeggen, dat spreken over God puur subjectief is en alleen over onze eigen ervaringen gaat. Deze uitspraken gaan over God die de hemel en aarde gemaakt heeft, die in Jezus mens geworden is en deze wereld niet loslaat maar tot zijn doel leidt.

Kennis over God is altijd relationeel
Fundamenteel is dat de Heidelberger Catechismus spreekt over mijn Heer Jezus Christus. Daarmee staat deze catechismus in de lijn van de Reformatie, die aangeeft dat een boodschap over God alleen op de juiste manier wordt gehoord als ik ook hoor dat deze boodschap voor mij is. Belijden heeft een existentiële dimensie die mij aangaat. Kennis over God is daarom altijd relationeel.
Het bijzondere is dat de Heidelberger Catechismus in het eerste antwoord de mens plaatst in de relatie tot God. De eerste vraag luidt niet: Wat geloof je? Door deze inzet laat de Heidelberger Catechismus zien, dat het in de relatie tussen God en mens gaat om de activiteit van God. Karl Barh zei al: ‘Het beslissende zinnetje in deze lange zin is: Ik ben eigendom van Jezus Christus. Al het overige is uitleg van deze woorden.’
Ik ben overigens geen eigendom van een tiran, maar behoor toe aan mijn bevrijder.

Geschiedenis
In het eerste antwoord vertelt de Heidelberger Catechismus een geschiedenis, waardoor het spreken over het eigendom worden en het eigendom zijn van Christus niet als een statische situatie beschreven wordt, maar als een geschiedenis die mijn bevrijding bewerkstelligt: omdat Jezus Christus met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen heeft betaald en mij bevrijd heeft uit alle macht van de duivel.
Dit gevangenzijn in de macht van de zonde en de duivel is volgens de uitspraak van de Heidelberger Catechismus iets van het verleden. Degene die deze belijdenis uitspreekt, is niet meer gevangen, is niet meer van God verwijderd, maar bevindt zich in de nabijheid van God. Omdat God niet wilde, dat hij ver van God verwijderd was.

Handelen van God
Het eerste antwoord laat ook zien, dat de catechismus niet spreekt over het zijn van God. Het gaat niet over het wezen van God of over zijn liefde of almacht. Hier staan Gods daden centraal, zijn handelen in Jezus Christus. Wie God is wordt duidelijk uit zijn handelen, uit zijn doen. Gods wezen is uit zijn handelen af te leiden:
– Omdat God bevrijdt is Hij bevrijder.
– Omdat Hij bewaart is Hij de bewaarder.
De Heidelberger Catechismus kiest hier bewust niet de omgekeerde weg. Bewust wordt niet begonnen bij het wezen van God, bij de definiëring van God – om daarna te herleiden wat Zijn daden zijn of zouden kunnen zijn. De Heidelberger Catechismus heeft twee redenen om die andere weg te kiezen:
(1) De start bij het wezen van God zorgt voor problemen. De almacht van God roept gelijk de vraag op waarom er kwaad en duisternis in deze wereld.
(2) De Bijbel spreekt op deze manier ook over God: niet van het zijn van God, maar van Zijn daden. De Bijbel gaat ook uit van de Naam van God. God is geen algemeenheid. Niet de mens definieert wie en hoe God is. Maar God laat zelf zien, wie en hoe Hij is. Door Zijn naam bekend te maken en Zijn daden te laten zien.

God in Jezus Christus
Fundamenteel voor de Heidelberger Catechismus is dat wij eigendom zijn van Jezus Christus. Als deze catechismus over God spreekt, wordt ook altijd gesproken over Jezus Christus. In het eerste antwoord wordt duidelijk dat de opbouw van de apostolische geloofsbelijdenis wordt gevolgd: God als Vader, Zoon en Heilige Geest. Het eerste antwoord begint wel met Jezus Christus. Dat laat al zien, dat er geen algemeen beeld van God mogelijk is. Vanuit Jezus Christus wordt duidelijk wie God is. Over God valt pas iets te zeggen vanuit de kennis van Christus. Alle uitspraken over God die volgen in deze catechismus zijn hier een uitwerking van. De Heidelberger Catechismus zet in met het gebeuren van Chistus, maar verbindt het nauw met het handelen van de Vader en de Geest. God is drie-enig en het handelen van God kan niet eenvoudig over 3 personen worden uitgesplitst. Vader, Zoon en Geest handelen gemeenschappelijk. In Christus zien wij het handelen van de Vader en de Geest.
Vandaag de dag is dat een bijzondere manier van spreken over God. Men zou vandaag de dag de algemene kennis van God als schepper en bewaarder voorop plaatsen en de christologische invulling als een nadere verbijzondering zien.

Praktijk van het leven
Voor de Heidelberger Catechismus is het spreken over God en het belijden van God geen theoretisch gebeuren, geen intellectueel spel. Het spreken en belijden raakt het gehele leven van de bevrijde mens. Het gehele leven is vorm te geven als een antwoord op de bevrijding en bewaring door God. Deze kennis is om van te leven en om mee te sterven.

N.a.v. Georg Plasger, Glauben heute mit dem Heidelberger Katechismus (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2012) 13-26

Gedachten bij de Heidelberger Catechismus (2)

Gedachten bij de Heidelberger Catechismus (2)

Om de Heidelberger Catechismus te begrijpen is het van belang om iets van de achtergrond te weten:
– De Heidelberger Catechismus werd geschreven op verzoek van keurvorst Frederik III van de Paltz. Hij wilde met deze tekst ervoor zorgen dat er een eenheid kwam tussen gereformeerden en lutheranen. Deze catechismus moet dus gelezen worden als een gereformeerde handreiking aan lutheranen.
– De Heidelberger Catechismus werd uitgegeven samen met de psalmen (die net uitgekomen waren) en de kerkorde. Bij het bestuderen van de catechismus moet deze samenhang in acht genomen worden. Wanneer dit document als een individualistische geloofsbeleving gelezen wordt los van een kerkelijke gemeenschap mist de connectie met eredienst en een kerkgemeenschap waarbinnen bepaalde regels zijn opgesteld.
– In 1563 was Duitsland (als er al sprake was van Duitsland) een verdeeld land: vorstendommen, graafschappen, bisdommen die allemaal redelijk zelfstandig waren. In 1555 werd besloten dat de regerend vorst bepaalde welke vorm van christelijk geloof in dat gebied aangehangen werd.
– Degenen die de gereformeerde leer aanhingen moesten vaak vluchten. In 1563 bestonden er gemeenschappen met Nederlandse vluchtelingen in bijvoorbeeld Londen, Frankfurt, Emden en Heidelberg. Ook de Franse gereformeerden werden vervolgd. De Heidelberger Catechismus is ontstaan uit een bedreigde en vaak verbannen gemeenschap.
De ervaring van verbannen zijn kleurt de catechismus:
* Aan het begin wordt er gesproken over de ‘ellende’. In 1563 had dit woord niet de betekenis van ‘ik ben er beroerd aan toe’, maar ‘ik ben verbannen van huis en haard’.
* De beroemde opening spreekt over ‘troost’. Hierbij gaat het niet om een arm om de schouder, maar om zekerheid van bestaan. De hedendaagse vertaling van deze vraag is niet: wie geeft mij troost of wie troost mij. De vraag is: wie geeft mij zekerheid van bestaan in een wereld die vol chaos is? Wie geeft mij een thuis als ik alles kwijtgeraakt ben? Wie is mijn kompas nu er een hele nieuwe toekomst opdoemt?

In de tijd na het opstellen van deze catechismus veranderde de betekenis van deze woorden en kregen zij een beperktere, psychologische of emotionele betekenis.

- In 1563 leefde men niet meer in de middeleeuwen, maar in de renaissance. De opstellers wilden met deze catechismus geen antwoord geven op de vraag hoe krijg ik een genadig God (als dit al een Middeleeuwse vraag was), maar op de vraag wat is mijn positie ten opzichte van God? Hoe komt God aan Zijn eer?
– In de 450 jaar is de positie van de Heidelberger Catechismus veranderd: van oorsprong was het een document, dat afkomstig was uit groep die een bedreigd en verbannen was. In de 20e eeuw werd het – in ieder geval in Nederland binnen de gereformeerde kerken – een document dat de eigen groep definieerde. In de 21e eeuw is het vooral een tekst waarop met gemengde gevoelens teruggekeken werd en geregeld genegeerd wordt.

Gedachten bij de Heidelberger Catechismus (1)

Gedachten bij de Heidelberger Catechismus (1)

EerstedrukHKDuits

De Heidelberger Catechismus heeft een jubileum: 450 jaar geleden werd deze catechismus opgesteld. Gelukkig gebeurt hetzelfde als met het Calvijnjaar (2009): er verschijnt een aantal boeken dat de moeite waard is. De boeken van het Calvijnjaar lieten zien dat de gereformeerde traditie een heel gevarieerde traditie is – waard om vandaag de dag nog doordacht te worden! Bij het jubileum van de Heidelberger Catechismus verschijnen boeken, artikelen en blogs die laten zien dat deze eeuwenoude tekst ook vandaag de dag uitnodigt, uitdaagt en provoceert om na te denken over God (als Vader, Zoon en Geest).
Laat ik mij ook eens uitdagen om aan de hand van deze catechismus na te denken over het geloof in God.

De Heidelbergse Catechismus als symfonie

De Heidelbergse Catechismus als symfonie

20100912_zoc_rkf_herreweghe_tcm8-230326

Hoe zou de Heidelbergse Catechismus klinken als muziekstuk? Als een pianoconcert van Sergej Rachmaninov? Als een orgelsonate van Alexandre Guilmant? Als een symfonie of juist als een cantate van Bach?

Gerrit Noltensmeier doet een suggestie:

(1) Preludium: Consolatio (vraag en antwoord 1)
(2) Over de menselijke ellende: Grave ma non troppo (1e stuk)
(3) Over de verlossing van de mens: Con spirito (2e stuk)
(4) Over de dankbaarheid (gebod en gebed): Final grazioso (3e stuk)

widor noten 5

Een interessante en creatie gedachte om de verschillende motieven en stemmen van de Heidelbergse Catechismus te verklanken!

N.a.v.: Gerrit Noltensmeier, “Der Heidelberger Katechismus – eine Komposition”, in: M. Heimbucher / Christoph Schneider-Harpprecht / Aleide Siller (Hg.), Zugänge zum Heidelberger Katechismus. Geschichte – Themen – Unterricht (Neukirchen-Vluyn, 2012) 24-30.

Hoe de catechismuspreek spannender kan

Hoe de catechismuspreek spannender kan

In de afgelopen tijd is er weer gediscussieerd over de tweede kerkdienst. Wanneer er in een kerkelijke gemeente ’s middags of ’s avonds een tweede kerkdienst wordt gehouden, staat deze dienst vaak in het teken van het doorgeven van de leer. Bijvoorbeeld door te preken aan de hand van de Heidelbergse Catechismus.
Op veel plaatsen valt op, dat deze tweede kerkdienst veel minder bezocht wordt. Daar zijn allerlei redenen voor aan te wijzen. Kerkgangers hebben genoeg aan één keer per zondag. Of kerkgangers vinden dat zo’n tweede kerkdienst in feite niets toevoegt.
Predikanten hebben de neiging om de oorzaak hiervoor bij de kerkgangers aan te wijzen. Vaak wordt erop gewezen, dat de kerkgangers vandaag de dag weinig met de leer hebben. Het zou ook wel eens met de predikant zelf te maken kunnen hebben. Met de manier waarop hij preekt.

Spreken vanuit i.p.v. spreken over
In een catechismuspreek wordt de leer uitgelegd. Waar staan we voor? Wat is er belangrijk in het geloof?
Belangrijke thema’s, die echter het risico met zich meedragen dat de preek abstract en afstandelijk wordt. Martin Nicol maakt een onderscheid tussen een spreken over (RedenÜber) en een spreken vanuit (RedenIn).
Ik vermoed dat veel catechismuspreken een spreken over zijn. Er wordt uitleg gegeven over de leer, over God. Het spreken over plaatst de luisteraar op een afstand. Hij is slechts toeschouwer. Hij maakt het niet mee.
Het spreken vanuit zorgt echter voor spanning en betrokkenheid. De thematiek is niet iets op afstand, maar een gebied waar je in de preek binnengeleid wordt. Een catechismuspreek wordt ook letterlijk veel spannender. De preek is dan geen gebeuren dat je als toeschouwer ondergaat (zoals een bioscoopbezoeker heel passief is), maar je maakt het zelf mee. Je doet er zelf aan mee.
Voor deze actieve betrokkenheid is het helemaal niet nodig dat er in de dienst mogelijkheid tot discussie komt.
Nicol sluit aan op wat Manfred Josuttis noemt: het binnenleiden in de verborgen en verboden zone van het heilige. De predikant wordt een gids die de luisteraar meeneemt op een spannende ontdekkingstocht.

De rol van het dogma
Het mooie van de methode van Nicol is dat de dogmatiek volop meedoet. De dogmatiek kent vele spanningen. De meest basale zijn die (1) tussen God en de wereld, (2) tussen God en de mens, (3) tussen God en de machten, tussen (4) God en de andere godsdiensten.
De dogmatiek en ook de catechismus is zeer behulpzaam voor wat dr. Bert de Leede scherp aan de w/Wind zeilen noemt. Wat de catechismus of het kerkelijke dogma aandraagt, kan haaks staan op onze belevingswereld. Kan onze wereld juist op scherp stellen.
Wanneer dat gebeurt in de preek – zeker als het gebeurt vanuit een spreken vanuit, een binnengeleid worden – zullen veel luisteraars geboeid zitten luisteren.
Dat is mijn ervaring tenminste. Veel kerkgangers gaan hiervoor juist naar de kerk: dat de Schrift, dat ’s avonds de catechismus hen verder helpt op de weg van het geloof. Niet alleen als een instructieboekje, maar als een gebeuren dat hun leven onder spanning plaatst.
Wanneer kerkgangers dat meemaken, zullen ze ook de waarde van het dogma zien. Veel kerkgangers verlangen ook naar meer kennis. Zeker als die kennis hun (geloofs)leven op scherp stelt.
Dit sluit aan bij wat Albrecht Grözinger zegt over preken in de postmoderniteit. Er is een andere hermeneutiek gekomen. Het gaat in de prediking er niet meer om dat onze identiteit wordt bevestigd, maar juist onder spanning komt te staan. Het gaat om een boodschap, die niet uit ons eigen hart voortkomt, maar in de Schrift staat.

Hoe werkt het dan?
Spanning is niet het woord dat veel mensen in verband brengen met de verkondiging en zeker niet met de catechismuspreek.
Bij spanning gaat het niet om sensatie of om een kick (event), maar om een gebeuren dat er echt toe doet (Ereignis). Dat is natuurlijk het werk van de Heilige Geest, maar de predikant kan er ook toe bijdragen.
Voor afgelopen zondag was ik bezig met een preek over Mattheüs 13:44: het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een schat in de akker… Ik richtte mij in het begin vooral op ‘geloof’, dat alle inzet vergt. Dat is op zichzelf nogal wat. Totdat ik dacht aan het beeld dat De Leede gebruikte (scherp aan de w/Wind zeilen). Toen viel het me op, dat Jezus spreekt over koninkrijk der hemelen en niet over geloof. Dit liet ik doorwerken in de verkondiging. Het koninkrijk der hemelen staat meer haaks op ons leven dan het woord geloof.

Dit kan ook in een leerdienst
Dit scherp aan de w/Wind zeilen kan ook met de catechismus. En ik vermoed dat ook bij de Dordtse Leerregels dit uitstekend kan. In deze benadering gaat het niet om op zoek te gaan naar het bekende, naar wat onze ideeën en traditie bevestigd. Het gaat om de zoektocht naar datgene dat we kwijtgeraakt zijn. Wat niet meer vanzelfsprekend is. Waar een spanning ontstaat tussen ons leven en het dogma, tussen het dogma en de Schrift.
Die spanning moet niet opgelost worden, maar uitgebuit.
Ook de exegese krijgt in het model van Nicol deze taak: op zoek te gaan naar de spanningen. Ook bij de catechismuspreek kan de tijd van ontstaan helpen om de spanningen te vinden.
Net zoals de historisch-kritische methode behulpzaam kan zijn voor de ontdekking van de Sitz im Leben.

Voorbeelden 
Een catechismusvraag of -antwoord dient nauwkeurig en intensief gelezen te worden. Wanneer stuit je voor je gevoel op een contrast met onze werkelijkheid? Neem er desnoods een hedendaagse tekst voor.
Wim H. Dekker deed dit in Wapenveld een keer met de ziekentroost. Hij plaatste die tegenover het dagboek van Marjet van Zuijlen.
Ik denk dat de spanning in antwoord 1 in zit in het woord eigendom. Niemand is vandaag de dag eigendom van iets anders. Iedereen in onze maatschappij is in principe vrij.
Is dat zo? Gisteravond op de AlphaCursus viel het ons als leiding op, dat jongeren geleefd worden. Zij krijgen voortdurend prikkels. Durven hun mobiel niet uit te zetten. Durven niets te missen op hyves en facebook. Zijn ze daar geen eigendom geworden van dan? Op welke manier kan het leven met Christus hierbij behulpzaam zijn? Door dat eigendomsbegrip in te voeren.
Je hebt geen leven met Christus, maar je bent van Christus. In de preek gaat het niet om de uitleg, dat die spanning er in die eigendomsrelatie zit. Om het creëren, oproepen, stellen, spreken vanuit die spanning.
Het gaat erom de gemeente die spanning mee te laten voelen. Niet om een spreken over, maar om een meenemen in die werkelijkheid waar het antwoord over spreekt.

ds. M.J. Schuurman

Literatuur
* Deeg, Alexander / Martin Nicol, Im Wechselschritt zur Kansel. Praxisbuch Dramaturgische Homiletik (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2005)
* Grözinger, Albrecht, ‘Die Predigt der Gnade und die Conditio Postmoderna’, in: Wilfried Engemann (Hg.), Theologie der Predigt. Grundlagen – Modellen – Konzequenzen. Arbeiten zur Praktischen Theologie 21 (Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2002) 211-223.
* Josuttis, Manfred, Die Einführung in das Leben. Pastoraltheologie zwischen Phänomenologie und Spiritualität (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlagshaus, 1996).
* Leede, dr. Bert de, ‘Preken is scherp aan de w/Wind zeilen’, http://www.izb.nl/index.php?cId=253&aId=1270  
* Nicol, Martin, Einander ins Bild setzen. Dramaturgische Homiletik (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 20052)