MJSchuurman – Christelijk geloof, theologie & ook nog eens reformatorische traditie

Bijbel lezen in een pastoraal gesprek

laat een bericht achter »

Bijbel lezen in een pastoraal gesprek

Wanneer een gesprek afgesloten wordt met het lezen uit de Bijbel, is het mooi als dat gedeelte aansluit op het gesprek. Dat kan op verschillende manieren:

(1) Verwoorden van ervaringen of emoties
In een gesprek kunnen veel ervaringen verteld worden. In een gesprek kan het ook gaan over wat er in de ander omgaat.
Ervaringen en emoties worden in de Bijbel vaak verwoord. In veel psalmen worden verschillende ervaringen en emoties verwoord: angst, eenzaamheid, tegenstand, gevangenzijn.
Wanneer iemand hoort dat zijn ervaringen of emoties verwoord worden in de Bijbel, geeft dat erkenning: wat ik voel of meemaak, doet er toe. Bovendien kan zo’n Bijbelgedeelte helpen om deze ervaringen en emoties naar God toe uit te spreken. Het begin van Psalm 69 vind ik zelf altijd een mooi voorbeeld.

Ik luister bijvoorbeeld naar iemand, die vertelt dat zijn collega hem een gemene streek heeft geleverd. Het woord ‘gemeen’ neemt hij echter niet in de mond. Hoewel ik merk dat hij erg gekwetst is door die streek, praat hij voorzichtig-afwegend, bijna respectvol. Opeens vraag ik hem: ‘Bent u eigenlijk helemaal niet geërgerd?’ Hij: ‘Geërgerd?’ Hij lacht als een boer met kiespijn. Daarop zeg ik: ‘Ik moet aan een paar gedeelten uit de Bijbel denken. Daar gaat het er toch anders aan toe…’ Zijn reactie: ‘Wat bedoelt u?’ Ik zeg (zo kort mogelijk) iets over het ‘gebed tegen de ander’. Ik spreek over de ‘eenzijdigheid’ daarvan en over de ‘mogelijkheid om na te denken voor scheldwoorden voor de ander’. Vaak moet ik dan nog een voorbeeld noemen, vaak werkt deze opmerking als introductie om meer te vertellen over datgene wat verborgen aanwezig is.
Soms spreekt ik direct over de wraakpsalmen. Ik zeg bijvoorbeeld: ‘Het komt mij voor dat er met u iets aan de hand is, wat ik ook uit bijbelse wraakpsalmen ken.’ Ook het zonder waardeoordeel uitspreken van het woord ‘wraak’ door de predikant (!) heeft vaak tot gevolg dat men zich gesterkt voelt om meer te vertellen. Maar het kan ook anders gaan, dat het woord ‘wraak’ namelijk vooral de weerstand vergroot: ‘Wraak? Dat is het werkelijk niet. Ik vraag u…’ Ook dit kan verder helpen, want vaak helpen de overdrijvingen die door een pastor worden ingebracht, om de blik van de ander te wenden. Daarna kan iemand in een discussie met deze overdrijving zijn eigen positie bepalen. Als pastor kan ik hier op inhaken: ‘U zegt, dat het geen wraak is, wat is het dan wat u wenst?’ Daarop zegt de ander: ‘Ik vind het stom, dat hij kan uithalen wat hij wil en dat hij steeds er weer goed van af komt…’
Een andere reactie op het begrip wraakpsalm kan gewoon zijn: ‘Wat bedoelt u daarmee?’, of ook: ‘Wat houdt dat in?’ Na een korte inleiding (‘Dat zijn gebeden van mensen, die zich heel onrechtvaardig behandeld voelden’) noem ik en citeer ik enkele kenmerkende uitspraken. En opnieuw: vaak is dit voor een gesprekspartner voldoende stimulans om van zijn of haar kant meer te vertellen over wat er aangedaan is. Om te vertellen wat men zo woedend maakt en wat men die ander allemaal zou kunnen aandoen. En dat is, zoals vaak benadrukt is, een belangrijke stap in het leren om te gaan met pesterijen.
Uit: Peter Bukowski, De Bijbel ter sprake brengen, p. 72-73.

Op verschillende stations van de begeleiding probeer ik terug te grijpen op de psalmen als spraakhulp, waarbij ik in dit geval bewust de geschreven tekst als hulp neem. In de inleiding zeg ik bijvoorbeeld: ‘Ik merk, hoe moeilijk het voor mij is om uw moeiten te begrijpen’ – u moet het goed begrijpen: ik benoem mijn moeilijkheden, niet die van mijn gesprekspartner – ‘ik zou u graag een gebed willen voorlezen. Misschien zegt het iets over hoe u zich voelt.’ Ik lees dan bijvoorbeeld:

Van verdriet kwijnt mijn oog, mijn ziel en mijn lichaam. (…)
mijn kracht struikelt (…)
Voor allen die mij benauwen, ben ik tot een smaad geworden,
voor mijn buren allermeest,
en voor mijn bekenden tot een schrik (…)
Vergeten ben ik, uit het hart, als een dode;
ik ben geworden als gebroken vaatwerk.’ (Ps. 31:10-13)

Vaak kunnen zulke klaagwoorden, die komen uit de diepte van de ziel, mijn gesprekspartner bereiken: Een gesprekspartner kijkt mij, nadat ik deze woorden heb voorgelezen, aan en zegt: ‘Dat klopt.’ Ik vraag terug: ‘Hoe bedoelt u?’ Daarop zegt zij: ‘Dat van die buren…’ En ze begint te vertellen, hoe steeds meer vrienden en buren haar mijden, omdat duidelijk is geworden dat haar ziekte niet meer genezen kan worden. Hoe langer zij vertelt, des te meer bespeur ik teleurstelling en bitterheid.
Een ander werd door een enkel beeld aangesproken. Hij verwijst daarnaar: ‘Ja, dat van dat gebroken vaatwerk…’ Ik stimuleer hem om te schilderen wat hij beleeft. Ik heb daarbij de ervaring opgedaan, dat het begrip gebed, dat door deze psalmteksten wordt ingebracht, vaak werkt als permissie gevoelens en omstandigheden te vertellen, terwijl men hiervoor dacht dat men zich ervoor diende te schamen.
Het zij nog een keer met nadruk gezegd: deze fase van het zich klagend uitspreken is ongelooflijk belangrijk en mag niet onderbroken worden door een goedbedoelde belofte. Daarom lees ik de passages die over de dank en het vertrouwen gaan, die aan het einde van de psalm zijn te vinden (zoals Ps. 22:23-32) in dit stadium niet voor. Op een later tijdstip kan het zinvol zijn om de bijbelse beelden van vertrouwen of hoop in het gesprek in te brengen. Vaak vraagt een gesprekspartner hoe zo’n geciteerd gebed verder gegaan zou zijn en of het de bidder heeft geholpen. Maar het kan ook zijn, dat ik zelf nog een keer verwijs naar de psalmen. Het gaat mij er vooral om het bijbelse realisme in het gesprek in te brengen, dat met betrekking tot verandering en hoop rekening houdt met een lange weg. Dit realisme heeft er weet van, dat genade en geluk samen gaan: ‘al ga ik door een dal van diepe duisternis’, God is bij mij. Het is heilzamer om de eigen levensweg als een woestijnreis leren te zien, dan om steeds weer op te breken door droombeelden van een snelle ommekeer.
Uit: Peter Bukowski, De Bijbel ter sprake brengen, p. 76-78

(2) Vinden van zingeving en identiteit
Ingrijpende gebeurtenissen zorgen ervoor dat iemand heel anders tegen zichzelf (of de wereld waarin hij leeft) gaat aankijken. De Bijbel kan ook helpen om een (nieuwe) zin van het leven te vinden. Of een Bijbelgedeelte kan helpen bij de zoektocht naar identiteit. Een Bijbelgedeelte kan helpen om anders tegen iets of tegen zichzelf aankijken (dit heet: reframing).

Een gesprek met een alcoholist: de man klaagt tegen mij over zijn leed. Omslachtig vertelt hij wat het effect van zijn verslaving is op zijn leven met zijn familie en in zijn beroep. Hij heeft al vaak geprobeerd om te breken met zijn verslaving, maar het wil steeds maar niet lukken. Natuurlijk heeft hij ook gedacht aan een ontwenningskuur, maar dat is een te grote stap. Bovendien hoort men veel negatieve berichten over de instelling en anderen is het ook gelukt zonder zo’n kuur. Het gesprek beweegt zich in een kring van jammeren en besluiten die niet van harte onder ogen worden gezien. Daarna vervalt hij weer in zelfspot en zelfmedelijden. Ook op mijn vraag of hij iets van mij verwacht , antwoordt hij dubbel: ‘Ik zoek toch op de een of andere (!) manier hulp.’ (Stilte) ‘Maar raad heb ik niet nodig. Mijn oren tuten nog van goede raad.’ (Stilte)
Na een poosje zeg ik: ‘Nu u dat zo allemaal vertelt, schiet mij een verhaal te binnen: iemand die al heel lang ernstig ziek is, praat met Jezus. Hij zegt: “Help mij!” Maar Jezus zegt tegen hem: “Wilt u dan werkelijk gezond worden?” (Zie Joh. 5:6) Mijn gesprekspartner antwoordt: ‘Dat is wel heel erg wrang. En als ik het zo zeggen mag, dan vind ik die vraag van die Jezus ook wel een beetje dom. Als die zieke niet gezond zou willen worden, dan had hij er niet om gevraagd.’
‘Ik geloof, dat Jezus eerst zeker wil zijn, of de zieke werkelijk wil,’ antwoord ik.
‘Wat bedoelt u met ‘werkelijk wil’?’ vraagt de ander.
Hieruit ontstaat een gesprek over het verschil tussen wensen en willen. Uit het gesprek volgt, dat willen iets te maken heeft met besluiten en met verantwoordelijkheid, die genomen dient te worden. (Alleen als ik werkelijk iets wil, dan ben ik in staat om andere dingen daarvoor na te laten….)
Uit: Peter Bukowski, De Bijbel ter sprake brengen, p. 50-51.

De heer K. laat merken dat hij er ernstig over nadenkt om zelfmoord te plegen. Ik ken zijn lijdensverhaal, dat hem zo vertwijfeld laat zijn. Daarom heb ik alle reden om zijn poging serieus te nemen. Twee motieven keren in allerlei variaties steeds weer terug, in datgene, wat hij mij vertelt: ‘Ik heb toch al zo veel dingen geprobeerd. Nu is het genoeg.’ En: ‘Ik kan het niet meer aan om anderen tot last te zijn. Ik ben nutteloos.’ Ik krijg snel door dat een bemoediging geen resultaat boekt. Hij is zo gevangen in zijn vertwijfeling dat er niet valt te denken aan het gezamenlijk ontwikkelen van perspectieven. Ook voor een geestelijke bemoediging is hij op een bepaalde manier immuun. Hij is afkomstig uit een piëtistische familie (freikirchlich) en die afkomst is een onderdeel van zijn probleem. Ik krijg steeds meer de indruk dat het werkelijk ‘genoeg’ is voor meneer K. (Ik moet denken aan het gedicht van Rilke over de panter: ‘Het is hem, alsof er duizend tralies zijn en achter de tralies geen wereld.’) En toch heb ik tegelijkertijd een grote angst om het gesprek te beëindigen, omdat hij de laatste stap van zijn vertwijfeling daadwerkelijk zou kunnen doen. Ik vraag me af hoe ik ‘tijd zou kunnen rekken.’
Tenslotte zeg ik: ‘Hoe u nu zo over uzelf praat, dat lijkt op, wat de mensen eens over een boom zeiden, toen Jezus erbij was. De boom was helemaal verdord en gaf geen vruchten meer. De bezitter zei: “Hij is nutteloos. Weg ermee!” (Zie Luc. 13:6vv) ‘Precies,’ zegt meneer K., ‘weg ermee!’ (Het leek mij, dat hij opgelucht was, dat ik met hem ‘instemde’. Zoekt hij het gesprek met mij op om uiteindelijk zichzelf ervan te overtuigen, dat ook een predikant uit de Landeskirche hem niet kan helpen?) Ik ga verder: ‘Jezus gaf als antwoord: “Geef hem nog een jaar!”
Ik had niet verwacht, dat mijn gesprekspartner zo geraakt zou worden door deze zin. Hij mompelt deze zin nog enkele keren voor zich uit. Dan herhaalt hij de zin nog een keer hardop en zegt dan tegen mij: ‘Een goede zin!’ Ik vraag hem wat hij zo goed vindt aan deze zin. Hij antwoordt dat hij de tip van dat ene jaar erg goed vindt. Hij vond het beter, dan alleen een mogelijk bevel van Jezus om de boom zo te laten staan. ‘Een jaar – daarin kan nog veel gebeuren. En wanneer er niets gebeurd, dan is het einde te overzien.’ Later vraag ik hem, of hij zichzelf nog een jaar zou willen geven. Ik spreek een vervolggesprek af, waarin wij zouden overleggen, hoe hij deze tijd zou kunnen gebruiken. Tot slot schrijf ik de uitgesproken zin nog op een kaartje en ik vraag hem, of hij dit kaartje steeds bij zich wil dragen.
Uit: Peter Bukowski, De Bijbel ter sprake brengen, p. 52-53.

 

Geschreven doormjschuurman

25/01/2012 bij 7:26 pm

Geplaatst in Pastoraat

Getagged met , , ,

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 25 other followers