Je kunt niet dieper vallen dan louter in Gods hand
Je kunt niet dieper vallen dan louter in Gods hand
Je kunt niet dieper vallen
dan louter in Gods hand
waarmee zijn heil ons allen
barmhartig ondervangt.
Ooit monden alle paden
door schade, schuld en dood
toch uit in Gods genade
hoe groot ook onze nood.
Wij zijn door God omgeven
in ruimte en in tijd
en zullen in Hem leven
en zijn in eeuwigheid.
Tekst: Arno Pötzsch / Vertaling: Hans Mudde
Dit lied citeerde ik gisteren aan het slot van de preek. Het is een mooi lied, doordat het heel beknopt laat zien dat ons leven, op alle wegen die we kunnen gaan, toch elke keer uitkomen bij God.
Het lied sprak mij nog meer aan toen ik de achtergrond van dit lied ontdekte. Dit lied is in Nederland ontstaan ten tijde van de Tweede Wereldoorlog en circuleerde in 1941 binnen de Duitse gemeenschap in Nederland. Het lied is geschreven door Arno Pötzsch, een predikant die behoorde tot de Bekennende Kirche en fel tegenstander was van het Hitler-regime. Hij was hier in ons land gestationeerd als vlootaalmoezenier. In die tijd moest hij gesneuvelde matrozen begraven, gewonde soldaten bezoeken in lazaretten, hen troosten en bemoedigen. Ook moest hij geregeld gedeserteerde soldaten, die opgepakt waren en ter dood veroordeeld waren, in hun laatste momenten bij staan. Vanuit die ervaringen schreef hij dit lied.
Hij schreef bewust een eenvoudig lied. ‘In kritieke omstandigheden gaat het niet zozeer in individuele invallen, originele beelden of om mysterieuze cryptische taal, maar veel meer om een eenvoudige ervarings- en verstaanshorizont en om een belijdenis die de geborgenheid van mensen in God duidelijk en kernachtig onder woorden brengt.’
Het korte lied bestaat uit drie delen: in de eerste strofe wordt een ‘jij’ aangesproken, het tweede strofe is algemeen gehouden en de derde strofe richt de blik op de geloofsgemeenschap (‘wij’). Kernachtig brengt dit lied de kritieke omstandigheden onder woorden: vallen, paden die door schade, schuld en dood gaan. In het Duitse origineel is er sprake van noodlot (Schicksal), schuld en dood.
Vallen verwoordt de tragiek: het gevoel in de afgrond te vallen. Het gevoel in een diep gat te vallen, te pletter te vallen zonder dat er iemand is die je opvangt. Pötzsch richt onze blik op Gods hand, die ons in onze val toch opvangt. De uitleg van dit lied in Liederkunde zum Evangelischen Gesangbuch (deel 9) wijst op regels van de dichter Rainer Maria Rilke: Wir alle fallen … Und doch ist Einer, welcher dieses Fallen / unendlich sanft in seinen Händen halt. Rilke laat open wie die Einer is, die ons opvangt, terwijl Pötzsch op Gods hand wijst. Op de achtergrond staat dan Psalm 139: Gods hand die ons altijd omsluit.
Vallen heeft in de christelijke traditie nog een tweede betekenis: in zonde vallen. We kunnen als mensen ook vallen door wegen te kiezen die bij God vandaan voeren. We kunnen vallen als we voor een zondig leven kiezen. Dan krijgt het beeld van het (om)vangen een heel andere betekenis, namelijk: redden van een wereld uit de verlorenheid en schuld. Een beeld uit de Bijbel is de herder, die het verloren schaap opzoekt; de Mensenzoon die gekomen is om het verlorene te zoeken en te redden.
De tweede strofe bevat een waarheid die in algemene zin wordt gesteld: Ooit monden alle paden door schade, schuld en dood toch uit in Gods genade hoe groot ook onze nood. Deze waarheid is geen algemene waarheid, maar een geloofde waarheid, die gedragen wordt door wat God zelf zegt en door de gemeenschap die in de derde strofe erbij betrokken wordt. Deze gemeenschap is niet alleen een gemeenschap van levenden, maar ook een gemeenschap met degenen die reeds zijn voorgegaan. Maar bovenal is deze gemeenschap waar de slotstrofe van zingt de gemeenschap van Christus. Niets kan ons scheiden van de liefde die er is in Christus (Rom. 8:31-39). De gemeenschap van Christus redt uit alle schade, schuld en dood. Ook als de dood op ons afkomt, zullen wij leven. Ook als we door de dood heengaan, zijn we er nog. Zijn ze er zelfs tot in eeuwigheid – in die gemeenschap in Christus.
Dit is een geloof, waarmee een gelovige aan het graf kan staan en ondanks de tragiek toch een troostvol woord kan uitspreken. Dit is een geloof, dat degene die gewond geraakt is in een oorlog waarvoor hij zelf niet gekozen levensmoed geeft. Dit is een geloof dat degene die terechtgesteld wordt, omdat hij zich niet meer voor een bepaalde zaak kon geven, de hoop ontvangt dat hij de goede keuze heeft gemaakt. Dit is een geloof dat houvast biedt als we het gevoel hebben in een afgrond te storten, omdat we het niet meer aankunnen. Dit is een geloof dat ons bij God terugbrengt op het moment dat wij ons leven en dat van anderen moedwillig vergooid hebben.
Een geloof –dat wil zeggen: geen menselijke prestatie, maar de band die God geeft en die door niets, geen schade, geen schuld, geen dood vernietigd kan worden. In Zijn genade monden onze wegen toch – ondanks alles – uit.
ds. M.J. Schuurman
Op het lied berust copyright bij de Stichting HKE. Hier een link naar het origineel, waar ook een melodie gegeven wordt die geschreven is door Hans Jansen: http://www.hans-jansen.com/mp3/sound/sound543.1218270567.pdf?PHPSESSID=b4e12760fe0f1ebe1b6bac4a45eed2dc